Showing posts with label Felix Ortt. Show all posts
Showing posts with label Felix Ortt. Show all posts

Friday, 7 February 2014

Internationale Broederschap - Christen-anarchisme in Nederland rond 1900

Sinds het christendom is vastgelegd in een organisatie die tegelijk werelds en bovenwerelds geacht kan worden, streven gelovigen naar terugkeer tot het ware, onbedorven christendom. Men zou kunnen zeggen dat dit streven zo oud is als het christendom zelf. De geschiedenis van het christelijk geloof bevat voor wie terug wil naar het 'ware' christendom de mythische thematiek van het Gouden Tijdperk. Er was de onbedorven tijd, tevens tijd van verdrukking door de Romeinse overheid. En er is de zondeval van de geschiedenis van het christendom, en deze valt dan samen met het aannemen van het geloof door keizer Constantijn. De val wordt gecompleteerd doordat aan deze keizer het uitroepen van het christendom tot staatsgodsdienst wordt toegeschreven.

Opvallend is nu dat over het zogenaamde pure christendom van voor Constantijn weinig positief bekend is. En hoe verder
men terug gaat naar wat de bron zou moeten zijn, de naamgever van het geloof, des te onzekerder wordt de historische
grond waarop men meent te staan. Over Jezus is niets meer bekend dan wat er in de evangeliën geboekstaafd is. De identiteit van de schrijvers, die geacht werden tijdgenoten en navolgers van Jezus te zijn geweest, is niet bekender. Vermelding door schrijvers uit niet-christelijke kring uit de eerste anderhalve eeuw van onze jaartelling ontbreekt. De vermeldingen bij Tacitus en Flavius Josephus zijn duidelijk interpolaties: bij het kopiëren van de tekst aangebrachte 'aanvullingen' van de hand van christelijke monniken.

Er valt weinig ten gunste te zeggen van een Jezus die daadwerkelijk als historisch persoon bestaan heeft, en veel ten ongunste. Ditzelfde geldt vervolgens voor de eerste christenen. Handelingen 2:44,45 vormt de basistekst waarop elke stroming die naar het ware oersocialistische christendom terug wil keren een beroep doet:
En allen die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen; en zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden ze aan allen, naar dat elk van node had.
Om het mythische karakter van dit verhaal te onderstrepen duiken deze passages twee hoofdstukken verder opnieuw op in de Handelingen der Heilige Apostelen. De eerste christenen zijn vermoedelijk even mythisch als de zoon Gods aan wie zij hun naam heten te ontlenen. Maar dan, hoe krachtig en levend mag deze mythe heten! De echo van deze passage uit het Nieuwe Testament hoort men nog terug in het adagium: van ieder naar vermogen, voor ieder naar behoefte. Een contemporaine mythe, waar nu stevig de bijl ingaat, maar de leuze kan veilig in handen blijven van anarchisten en, waarom niet, van christenen. Dat de oersocialistische christenen in feite nooit bestaan zullen hebben hoeft aan het streven niets af te doen.

Zodra de christenen echt historische contouren krijgen is er van gemeenschappelijke eigendom niets meer te bespeuren.
De zondeval kwam niet pas met keizer Constantijn. Het valt tenslotte niet te verwachten dat de keizer van het Romeinse
Rijk zich vrijwillig zou aansluiten bij een groep mensen die alle aardse goederen delen. De ware zondeval van Constantijn zou kunnen zijn dat hij oorlog voerde in het teken des kruises, en dat hij hieraan zijn overwinning meende te mogen danken. Naast het gemeenschappelijk bezit is de geweldloosheid deel van de mythe van het radicale oerchristendom. Geweldloosheid werd door Jezus gepredikt in de Bergrede, ook wel als losstaand Evangelie der Liefde beschouwd (Matth. 5-7, Lucas 6:20-49). Hier spreekt de Jezus van de christen-anarchist, de radicale mensenminnaar, die maant den boze niet te wederstaan en de andere wang toe te keren. Evenals de bovengenoemde passages uit Handelingen: een mooie mythe, een nastrevenswaardig ideaal, dat niet meer als exclusief christelijk wordt opgevat. De
Jezus van de Bergrede is niet in overeenstemming te brengen met de patroon van een staatskerk, immers, staat en geweld
horen onlosmakelijk bij elkaar. Overigens is de laatste zondeval, die voor de staat, gemakkelijk als mythe te weerleggen: niet Constantijn, maar een latere opvolger, keizer Theodosius, heeft het christendom tot staatsgodsdienst uitgeroepen.

Het streven naar het ware oerchristendom begeleidt de geschiedenis van de kerk onafgebroken. Binnen de officiële kerk worden de aangehaalde woorden uit Handelingen van toepassing verklaard op speciale gemeenschappen van gelovigen: monniken of nonnen, die tot de dag van vandaag inderdaad in gemeenschap van goederen leven. Voor de gewone gelovigen was aards bezit verder toegestaan. Wie het hiermee niet eens was solliciteerde naar het etiket 'ketter'. Niet dat iedere ketter naar gemeenschappelijke eigendom streefde, maar het omgekeerde was wel waar. In het kader van dit artikel is het niet zinvol deze ketterse stromingen zelfs maar te noemen, hoe interessant zij ook mogen zijn. Het begrip 'ketter' is sinds de Hervorming eigenlijk irrelevant, al gaat het gevecht om de ware leer in welhaast ieder kerkgenootschap onverdroten voort. Voor alle andere kerken een ware gruwel waren de Wederdopers, in marxistische kring graag opgevoerd als protocommunisten, die alleen nog niet de juiste papieren bezaten wat klassebewustzijn betreft. De heilstaat die zij enige tijd hebben ingericht in de stad Münster is inderdaad een voorproefje van het systeem dat tot voor kort tussen Elbe en Beringzee heerste: zeker niet christen-anarchistisch. In Nederland, waar ik mij verder toe zal beperken, is sinds de Hervorming binnen en buiten de Hervormde Kerk vrijwel altijd een libertaire stroming actief geweest, een stroming dus die zich op de genoemde passages uit Handelingen en op de Bergrede beriep voor de geloofspraktijk. Natuurlijk noemden deze stromingen zich niet christen-anarchistisch. Deze term komt pas op bij de Internationale Broederschap, ongeveer een eeuw geleden. Er is evenwel een brug in de tijd te slaan tussen deze fin-de-siècle-uiting en de tijd van de Hervorming.

Spectaculair kunnen de Labadisten (1669-1725) genoemd worden, volgelingen van de Franse predikant Jean de Labadie. Allen afkomstig uit betere kringen gingen zij gezamenlijk wonen in de geest van Handelingen, het grootste deel van de tijd van het bestaan van de groep op het Waltha-slot in het Friese Wieuwerd. Een prominent lid van de groep van Labadisten was de eerste vrouwelijke Nederlandse academicus, Anna-Maria van Schuurman. De Collegianten waren in hun werking minder opvallend, vormden ook geen woongemeenschap en hebben waarschijnlijk juist daardoor als groep langer kunnen bestaan: van 1619 tot het einde van de 18de eeuw. In de Franse tijd kwam uit onvrede over de te rekkelijk geachte Hervormde Kerk het oefenen op: gewone gelovigen die bijeenkwamen om met elkaar de juiste interpretatie van de Schrift te bespreken. Uit kringen van deze oefenaren komen de Nieuwlichters voort, waarschijnlijk bekender onder de naam Zwijndrechtse Nieuwlichters. Het gemeenschappe4k bezit en het afwijzen van staat en wapenbezit komen ons in hun geval al modern voor, al zijn hun motieven uitsluitend aan de bijbel ontleend. Hun gemeenschappen in Mijdrecht en Zwijndrecht hebben het niet lang volgehouden. De Groninger theologische school van professor Hofstede de Groot had met de Nieuwlichters verwante opvattingen, zonder deze verder in praktijk te verwezenlijken. Integendeel, Hofstede de Groot keek nogal neer op de gewone gelovigen die meenden hun eigen gang te mogen gaan. Het Groninger blad Waarheid in Liefde kan men als het eerste moderntheologische tijdschrift in Nederland beschouwen. Waarmee wij van de 'voorlopers' terecht zijn gekomen bij de kring waaruit de Internationale Broederschap is voortgekomen.

TOLSTOJ

Wie in een Hogere Macht gelooft en deze aanvaardt, kan geen anarchist zijn, dus een christen kan geen anarchist zijn. Op dit lage niveau bevond zich de kritiek van de anarchisten van een kleine eeuw geleden tegen de groep die zich christen-anarchist noemde. Een niveau van redeneren dat tot vandaag heeft standgehouden, al zal de toon wat veranderd zijn. Voorman Domela Nieuwenhuis van de enige echte ware godloze anarchisten had weliswaar een portret van Jezus op zijn schrijftafel, maar met het geloof had hij afgedaan, en dus moest iedereen ermee afgedaan hebben. Naar de standpunten van de anderen werd niet geluisterd.

Het zou onjuist zijn de Nederlandse christen-anarchistische stroming als een soort afwijkende tendens van het enige ware anarchisme te zien, zoals Domela het eigenlijk liefst wel wilde presenteren. De stroming heeft drie belangrijke bronnen. De eerste is de moderne theologie, waar bovengenoemde Hofstede de Groot een voorloper van was. Het modernisme was de belangrijkste vernieuwingsbeweging binnen de Nederlandse Hervormde Kerk in de vorige eeuw. Rationalisme en liberaal vooruitgangsgeloof deden hun intrede in de wetenschap van de godgeleerdheid. Het resultaat betekende een totale omwoeling van alles wat tot dan toe voor vaststaand en - letterlijk - heilig werd gehouden. De verstgaande conclusie was het in twijfel trekken of de figuur Jezus Christus ooit werkelijk bestaan heeft. Een dergelijk standpunt was uiteraard zeer moeilijk te verenigen met lidmaatschap en zelfs voorgangerschap binnen de kerk.
Modernisten als Allard Pierson en Busken Huet bijvoorbeeld verlieten de kerk dan ook. Een theoloog als G.A. van den Bergh van Eysinga is, ondanks zijn radicale bijbelkritiek, tot het eind aan toe een gewaardeerd predikant gebleven.

De tweede bron is de arbeidersbeweging, die met de industrialisatie na 1870 opkwam. Vooral Leidse theologiestudenten raakten bij hun maatschappelijke werkzaamheden geëngageerd ten gunste van de arbeidersklasse. De splitsing tussen sociaal-democraten en anarchisten heeft ook onder de betrokken moderne theologen plaatsgevonden. Velen kozen voor de
sociaal-democratie, anderen voor het anarchisme. De derde bron waren de buitenlandse voorbeelden. Dit waren vooral de zich als anarchist profilerende gnosticus E.H. Schmitt uit Boedapest en meer nog de Russische schrijver Tolstoj. Het christelijk anarchisme naar eigen snit - dat de schrijver op zijn beurt weer aan bepaalde Russische sekten ontleende, speciaal de nog steeds bestaande Doechoboren - heeft grote indruk gemaakt op de meer mystiek ingestelde 'linkse modernisten' in Nederland. Tolstoj' s oproep in zijn Het Koninkrijk Gods is binnen in u om te weigeren de wapenen van de goddeloze staat te dragen is in Nederland meer dan elders aangeslagen. De traditie van antimilitarisme en dienstweigering is hier gevestigd door volgelingen van Tolstoj, te beginnen de dweepzieke J.K. van der Veer, de eerste Nederlandse dienstweigeraar.

De Nederlandse geschiedschrijving van de arbeidersbeweging, beheerst door sociaal-democraten en partijcommunisten, kent geen christen-anarchisten. Zij kent wel Tolstojanen. Hiermee wordt onrecht gedaan aan de eigen Nederlandse achtergrond van de stroming, die zoals boven aangegeven uit meer bronnen geput heeft dan die van Tolstoj alleen. Binnen de kerk zelf en ook binnen de anarchistische beweging als geheel werd - hoe negatief men er ook tegenover stond - niet zomaar van 'Tolstojanen' gesproken. De juiste naam luidt: christen-anarchisten; christen, dus anarchist, zoals zij zelf met een beroep op de Bergrede en - inderdaad, toch wel - onder verwijzing naar Tolstoj stelden. Tolstoj had echter met zijn betoog tegen het geweld de christenen een spiegel voorgehouden die zij onaangenaam konden vinden. Vandaar het antwoord van de christen-anarchisten tegen degenen die hen als Tolstojaan wilden bestempelen: "wij zijn geen tolstojaan, maar christen". De historische rechtvaardigheid gebiedt hen hierin zover mogelijk gelijk te
geven.

Belangrijke christen-anarchistische theologen in Nederland waren Louis A. Bähler, Anne de Koe, H.W.Ph.E. van den Bergh van Eysinga (later prominent hegeliaan geworden), N.J.C. Schermerhorn, J. Sevenster en Lod. van Mierop (laatstgenoemde heeft zijn studie niet voltooid). Niet theologisch geschoold was de waarschijnlijk markantste figuur, de waterstaatkundig ingenieur Felix Ortt. Tot organisatorisch verband is het eigenlijk pas gekomen toen het tijdschrift De Hervorming steeds minder genegen bleek artikelen van christen-anarchistische strekking te plaatsen. In 1897 werd het blad Vrede opgericht om hiervoor ruimte te scheppen. Onderschrift van het blad luidde: 'Orgaan van de Internationale Broederschap'. Deze Broederschap is twee jaar later echt als vereniging opgericht. Internationaal is zij overigens nooit geworden. De ideeën waren het wel, maar de organisatie is tot Nederland beperkt gebleven, zoals men zelf zonder veel spijt vaststelde.


De Broederschap zocht en kreeg rechtspersoonlijkheid om het samenwonen in gemeenschapsverband juridisch vorm te geven. Om de idealen van het ware vroege christendom in praktijk te brengen, ging een aantal christen-anarchisten in
kolonieverband wonen in Blaricum. Hier zou men zich bezighouden met landbouw en met de drukkerij en uitgeverij 'Vrede'. De kolonie werd een spreekwoordelijke ramp. Lang niet iedere kolonist had kaas gegeten van landbouw. Erger nog: de radicale geweldloosheid van de christen-anarchist diende niet tot mensen alleen beperkt te zijn, maar gold ook voor dieren. Hoe het gewas te beschermen tegen rupsen? Het bleek dat sommige kolonisten zo rekkelijk waren dat ze vonden dat er wel op hazen geschoten mocht worden. De morele eisen die aan de kolonisten gesteld werden, waren zo hoog, dat het verloop zeer groot was. Tijdens de spoorwegstaking van 1903 werd de kolonie belegerd door woedende dorpelingen. Militairen moesten de antimilitaristische en geweldloze christen-anarchisten beschermen tegen de meute. De aftocht werd van staatswege gedekt, terwijl in het belangrijkste huis brand gesticht werd. Toen hierna binnen de kolonie sprake was van zelfverdediging met behulp van revolvers, was voor de eigenlijke christen-anarchistische
theoretici de maat vol. De kolonie te Blaricum heeft het bestaan gerekt tot 1911. Bij de opheffing was er van anarchisme noch christendom nog iets te bespeuren. Een tweede kolonie van de Internationale Broederschap, te Nieuwe-Niedorp, heeft van 1902 tot 1907 bestaan. Zij is minder dramatisch tot haar einde gekomen en heeft als land- en tuinbouwbedrijf nog lang voortbestaan.

IDEEËN

Meer dan de praktijk in de vorm van landbouwkolonie zijn de ideeën van de Nederlandse christen-anarchisten van belang.
Zij waren de initiatiefnemers tot het Dienstweigeringsmanifest van 1915. Meer dan de enkele individuele dienstweigerakties van voor die tijd gaf dit Manifest het sein tot een echte beweging. Ruim duizend mensen ondertekenden het Manifest, vele honderden volgden de oproep tot weigering. Of de christen-anarchistische achtergrond nog herkend of erkend wordt, is de vraag, maar dat dienstweigering en radicale geweldloosheid voor veel Nederlandse anarchisten vanzelf spreken, is wel degelijk aan de christen-anarchisten te danken. Deze geweldloosheid is gebaseerd op theologische opvattingen. De Bergrede is al genoemd in dit verband. De algemene geweldloosheid, ook tegenover dieren, is een uitvloeisel van het pantheïsme dat bij de mystieke richting van het modernisme hoort. De gehele schepping is vervuld van de immanentie Gods.

Een theoloog als Louis A. Bähler verbond dit geloof aan reïncarnatie en boeddhisme. Zijn pantheïsme beleed hij tegenover zijn gemeente op Schiermonnikoog, zijn voorkeur voor het geweldloze boeddhisme in Oosterwolde (Fr.). Zijn gemeente stond in beide gevallen achter hem. Zijn optreden heeft geleid tot het oprichten van de Gereformeerde Bond binnen de Hervormde Kerk, uit verontrusting dat dit blijkbaar allemaal maar kon. Felix Ortt ontwikkelde een naar eigen zeggen rationeel filosofisch stelsel, waarin naast zielsverhuizing ook plaats was voor spoken en andere 'spiritische verschijnselen'. Als tegenstander van geweld tegen dieren was hij een voorvechter van de beweging tegen vivisectie. Spiritisme en vivisectie zijn de thema's waarmee Ortt zich van het eind van de Duitse bezetting tot zijn dood in 1959 nog heeft beziggehouden.

Vegetarisme is, als uitvloeisel van bovenstaande, een vanzelfsprekend onderdeel van het christen-anarchisme. In navolging van Tolstoj sprak men zich ook fel uit tegen het gebruik van genotmiddelen als alcohol en tabak of prikkelend geachte spijzen. De grenzen van de consequentheid lagen wat dit betreft blijkbaar bij koffie en thee: dat mocht van christen-anarchisten als Ortt, Bähler en Van Rees. Van Tolstoj niet.

Onlosmakelijk verbonden met het christen-anarchisme is het streven naar 'rein leven', zeker gebaseerd op of geïnspireerd door Tolstojs in de loop der jaren steeds radicaler geworden opvattingen over sexualiteit. Voor de schrijver van de Kreutzersonate is eigenlijk alle seks uit den boze. Dit gaat de Nederlandse christen-anarchisten te ver. Het is alleen niet duidelijk waar hun grenzen over wat vies en ongepast is precies liggen. Geslachtsgemeenschap dient uitsluitend voortplanting tot doel te hebben. Hieruit volgt, inderdaad, dat homosexualiteit niet is toegestaan. Ortt stelt rustig vast dat tachtig procent of meer van de jongeren zich bezondigt aan 'zelfbevlekking'. Ondanks zijn vermeende rationalisme houdt hij staande dat deze zonde gruwelijke gevolgen heeft, ondanks (of dankzij?) het feit dat bijna iedereen haar begaat. De Rein Leven-beweging was voor de christen-anarchisten
na de ramp van Blaricum eigenlijk het enige vaste organisatiepunt en voor wie er nu op terugziet, is het bepaald een onsympathiek en onsamenhangend streven. Men hoeft geen totale losbandigheid te prediken om niettemin dit verwarde victorianisme af te wijzen. Binnen de na de eerste wereldoorlog opkomende religieus-anarchistische beweging was het reine leven dan ook zeker geen vanzelfsprekendheid.

Wat hield nu precies het christendom in voor de christen-anarchisten van de Internationale Broederschap? De meeste predikanten zijn steeds hun ambt blijven bekleden en dus in de kerk gebleven. Binnen het modernisme waren zij niet eens de radicaalsten. Het historische bestaan van Jezus werd bijvoorbeeld voor waar aangenomen. Hij was wel niet Gods zoon, maar een profeet van de menslievendheid, een drager van de Christusgeest was Jezus wel. Deze Christusgeest van naastenliefde werd overigens aan wel meer mensen toegedicht: van Boeddha en Socrates tot Bakoenin, Kropotkin en tolstoj toe. Ook met dit 'moderne paganisme' waren de christen-anarchisten overigens geen echt buitenbeentje.
De vrijzinnige stroming van de Nederlandse Protestantenbond zag ook wel iets heiligs in menig niet-christelijk nog levend persoon. Het genoemde rijtje dragers van de Christusgeest laat het al zien: het christen-anarchisme stond open voor niet-christenen.

Joden, boeddhisten of buitenkerkelijken konden naar de normen van de christen-anarchisten heel wel bij de christen-anarchistische broederschap behoren. De Christusgeest is slechts genoemd naar een belangrijke drager ervan. De meest prominente woordvoerders als Ortt en Van Mierop hoorden niet meer bij de kerk; Bähler heeft de kansel verlaten in een conflict met zijn laatste gemeente in Aduard. Zoals het anarchisten betaamt, moet men zich van de organisaties van de christen-anarchisten niet te veel voorstellen. De Internationale Broederschap was een rechtsvorm terwille van de kolonies, waarvoor ook een Federatief Fonds was ingesteld. Een latere organisatievorm was het Vrije Menschen Verbond (1915), dat evenwel aansluiting zocht bij de christen-socialisten. Uit deze kringen is in 1920 vervolgens
de Bond van Religieuse Anarcho-Communisten voortgekomen.

Lang na de tweede wereldoorlog duikt het christen-anarchisme weer op. Was het een eeuw geleden eigenlijk een bijna exclusief hervormde stroming, nu lijken de katholieken aan de beurt. Continuïteit wordt alleen door het streven naar het ware christendom gevormd. De christen-anarchisten waren (of zijn) anarchist omdat zij christen zijn. Deze inspiratiebron is geen bijkomstigheid. Zij dienen zowel in hun religie als in hun anarchisme - voorzover men dit zou kunnen of mogen scheiden - serieus te worden genomen. Maar voor de christen-anarchisten geldt hetzelfde als wat men van alle Nederlandse anarchisten kan zeggen: hun belangrijkste sporen hebben zij nagelaten in hun inzet voor deelgebieden die niet per se als anarchistisch te herkennen zijn. Wel als om dienstweigering gaat, niet waar het om drankbestrijding, vegetarisme of strijd tegen vivisectie gaat. Nog minder herkenbaar als anarchistisch is hun inzet voor een rein leven of het spiritisme van Felix Ortt. Maar alleen al het feit dat zij mede de traditie van radicaal antimilitarisme gevestigd hebben, lijkt mij voldoende om hun nagedachtenis te eren.

LITERATUUR
Een algemeen overzicht van opvattingen en werkzaamheden van de Nederlandse christen-anarchisten ontbreekt vooralsnog. De schrijver van bovenstaand artikel bereidt een dissertatie voor waarin de tot nu toe onbekende kanten van het christen-anarchisme alsnog onderzocht worden.
Herman Noordegraaf heeft een boekje over ds. Sevenster geschreven: Tussen pacifist en anarchist, Amersfoort 1988. Over het religieus anarchisme tussen de wereldoorlogen: Hans Ariëns, Laurens Berentsen & Frank Hermans, Religieus anarchisme in Nederland tussen 1918 en 1940. In het rijk der vrijheid, Zwolle 1984. Over de kolonies: Frans Becker & Johan Frieswijk, Bedrijven in eigen beheer, Nijmegen 1976 en Maria W.J.L. Boersen, De kolonie van de Internationale Broederschap te Blaricum,
Blaricum 1987. Verder van (beperkt) belang: A Perdeck, Nakend op de fiets, Den Haag 1967; R. Jans,
Tolstoj in Nederland, Bussum 1952; en A.C.J. de Vrankrijker, Onze anarchisten en utopisten rond 1900, Bussum 1972.

Het christen-anarchisme van Felix Ortt

- door Ruud Uittenhout - 
 
Felix Ortt, die door A.C.J. de Vrankrijker in zijn niet al te sterke Onze anarchisten en utopisten rond 1900 (1972) getypeerd wordt als "...de nobele en veelzijdige ijveraar, die in geschrift het meest heeft gedaan voor de richting die hem zo lief was", was ongetwijfeld één van de actiefste christen-anarchisten die ons land heeft gekend. Ortt, van oorsprong protestant, werd in 1866 in Groningen geboren uit een adellijke familie, hoewel hij zijn titel -jonkheer- nooit zou gebruiken.
Na zijn studie was hij enige tijd werkzaam als civiel ingenieur bij Rijkswaterstaat en uit dien hoofde schreef hij onder meer Over den vorm en den oorsprong der getijdegolven (1896). Tijdens een ziekte maakte hij kennis met vegetarisme en natuurgeneeswijzen, hetgeen hem er rond 1892 toe bracht vegetariër te worden. Toen in 1896 Tolstojanen in Nederland tot samenwerking besloten in de 'Vrede-groep', was Ortt daarvan één der initiatoren, samen met onder anderen prof. Van Rees (1854-1928), Lod. van Mierop (1876-1930), Louis Bähler (1867-1941), J.K. van der Veer (1869-1928) en Daniël de Clercq (1854-1931). Ruwweg mag worden gesteld dat de vorming van deze groep een logisch gevolg was van de christen-anarchistische beweging die rond 1890 ontstond aan de Leidse Universiteit.

Hoewel de 'Vrede-groep' sterk beïnvloed werd door de ideeën van Tolstoj (1828-1910), noemden ze zich liever geen Tolstojanen: ze gaven de voorkeur aan christen-anarchisten. Dat Ortt zeker niet kritiekloos stond tegenover Tolstoj's opvattingen, blijkt bijvoorbeeld uit zijn Der Einflusz Tolstois auf das geistige und gesellschaftliche Leben in den Niederlanden (in: Der Sozialist. Organ des Sozialistischen Bundes. Jrg. 3, 1911, nr. 1). Hoe het ook zij, Tolstoj's opvattingen over staatsvorming maakten een dermate grote indruk op hem, dat hij ontslag nam als ambtenaar en secretaris werd van mevrouw Van der Hucht (voorzitster van de Humanitaire Kinderbond). Hij zette zijn gedachten over staat en christendom (hij schreef ook een kinderbijbel) uiteen in geschriften als Het Beginsel der Liefde (1898) en Denkbeelden van een christen-anarchist (1901). Zijn geloof in de vooruitgang van de mensheid was gebaseerd op het vertrouwen dat de menselijke rede zich langs evolutionaire weg in de richting van 'Het Goede' en 'De Waarheid' zou ontwikkelen. Zijn christelijk anarchisme was doorspekt met oosterse filosofieën, theosofie en spiritisme. In zijn latere leven zou het spiritisme de overhand krijgen. Hij overleed -hoogbejaard- in 1957.

Ortt behoorde met Van Rees en Van Mierop tot de oprichters van het blad Vrede. Orgaan tot bespreking van de praktijk der Liefde, dat voor een deel door Ortt gefinancierd werd en waarvan de ondertitel overigens enige malen veranderd werd. Het eerste, door Van der Veer geredigeerde nummer verscheen op 18 oktober 1897. De mensen rondom de 'Vrede-groep', waartoe een opvallend groot aantal predikanten behoorde, vormden een groepering, later vereniging - die koninklijke goedkeuring aanvroeg en kreeg! - de 'Internationale Broederschap' (1899). Ze bleven Vrede uitgeven tot 1909 en de volgende thema's keerden voortdurend terug bij de humanitair ingestelde idealisten: (1) Religieuze beschouwingen; (2) Sociaal-politieke beschouwingen; (3) Anti-vivisectie; (4) Vegetarisme en humanisme ofwel humanitarisme; (5) Over het niet-weerstaan; (6) Over Oordeel en Gericht; (7) De eisen der christelijke Liefde; (8) de Vredesbeweging; (9) Historie (Geschiedenis van de Ontwikkeling der Vredes-idee); (10) Tolstoj-kritiek; (11) Geheelonthouding (in ruimere zin); (12) Boekbeoordelingen. Andere terugkerende punten waren onder andere verzet tegen vaccinatiedwang en het nut van natuurgeneeswijzen.

BLARICUM

Het anarchisme van de Internationale Broederschap was meer ethisch dan politiek getint en het christelijke element in hun denken was onorthodox, het stond onder invloed van de moderne theologie van na 1870 en was vermengd met theosofische en oosterse filosofieën. De christen-anarchisten gingen ervan uit, dat elk mens van zijn eigen geweten moest uitgaan, waardoor zedelijke veranderingen zouden (kunnen) optreden. Om tot een socialistische maatschappij te komen, zo meenden zij, was het werken in gemeenschappelijk (kolonie)verband een geëigende methode. In de kolonie Walden, in de organisatie Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB), maar vooral in de eigen, in 1900 te Blaricum gestichte kolonie waren ze actief, hoewel deze laatste geen lang leven beschoren was.

Op initiatief van S.C. Kijlstra en Van Mierop werd enthousiast begonnen met het in de praktijk brengen van de kolonisatiegedachte in Blaricum, waar ook spoedig de drukkerij 'Vrede' werd gevestigd (1902). Met Van Eeden, voor wie Ortt wel waardering maar geen bewondering koesterde, discussieerde Ortt in De Pionier (het GGB-orgaan) eind 1902 over de eisen die gesteld werden aan aspirant-kolonisten. Ortt, die de gelederen in 1902 te Blaricum kwam versterken, legde de nadruk op geestelijke vrijheid. Drukkerij 'Vrede', voorheen gevestigd in Den Haag, werd belast met de uitgave van De Pionier, waarvan het eerste nummer verscheen op 7 juni 1902. Er werd een soort compromis gesloten: de ene zaterdag verscheen Vrede, de andere zaterdag De Pionier, beide geredigeerd door Ortt, die als gevolg van de moeizame samenwerking met Van Eeden het redacteurschap van De Pionier na ongeveer een jaar neerlegde en werd opgevolgd door dezelfde Van Eeden.

De spoorwegstaking(en) van 1903 luidde(n) de ondergang van de Blaricumse kolonie in. De katholieke Blaricumse boeren en de overwegend protestantse vissers uit Huizen konden slecht overweg met de 'rooie' kolonisten. Door de staking(en) werd ook de Gooise stoomtram stilgelegd, waardoor boeren en vissers hun goederen niet meer konden vervoeren, hetgeen ze de kolonisten kwalijk namen, die huns inziens sympathiseerden met de stakers. De kolonie werd bestormd, er werd brand gesticht en ruiten werden ingegooid. Een aantal kolonisten vertrok en drukkerij 'Vrede' verhuisde naar Amersfoort; nog in hetzelfde jaar was 'De ramp van Blaricum', om met Albert Perdeck te spreken, een feit.

Ortt heeft zelf de verschillen tussen Walden en Blaricum weergegeven en gesteld waarom het mis ging in Blaricum. Het grote verschil was volgens hem, dat in Blaricum het beginsel van geweldloosheid aanvaard werd - de vergelijking met de Russische Doekhoboren, een religieuze gemeenschap die kerk en staat verwierp en militaire dienst weigerde, dringt zich op - en alleen geestverwanten werden toegelaten, terwijl op Walden niet gevraagd werd naar enige vorm van geestverwantschap: iedereen die wilde werken in de geest der produktieve associatie was welkom. Blaricum was volgens Ortt een fiasco geworden, "...omdat de medewerkers niet op de hoogte bleken te staan van hun idealen. (...) Het enig bereikbare scheen ons de vorming van kleine groepen, uit keurmensen bestaande, die het ware geestelijke inzicht hadden - mensen die wij aanduidden als geestverwanten". Verder was hij van mening dat Blaricum te gronde was gegaan omdat men een kolonist te snel als geestverwant beschouwde en bekwaam om te leven volgens de zuivere moraal. "En op dit te-goed-van-vertrouwen-zijn zijn wij tenslotte evenzeer gestrand als Van Eeden op zijn ruimere opvatting."
(Van Eedens ervaringen en conclusies op sociaal-economisch gebied; in: Mededelingen van het Frederik van Reden-genootschap. XVII)

Zeker heeft de matige kwaliteit van de grond en de gebrekkige landbouwervaring van vrijwel alle kolonisten óók een grote rol gespeeld bij de teloorgang. In 1905 werd naast Vrede het Vrede-tijdschrift opgericht, dat in 1907 werd omgedoopt in De Vrije Mensch, waaraan Ortt meewerkte, hetgeen ten nauwste samenhing met de op 13 mei 1906 in Utrecht heropgerichte Vrede-beweging, die voortgezet werd als Het Vrije Menschen Verbond (VMV). De kleine, selecte aanhang - de bond heeft nooit meer geteld dan 100 à 150 leden - was christelijk-anarchistisch georiënteerd, hetgeen blijkt uit artikel 1:
Het Vrije Menschen Verbond... draagt een supra-nationaal, revolutionair-religieus karakter en heeft ten doel een persoonlijke en maatschappelijke wedergeboorte van mensch en samenleving.
In 1920 ging het VMV op in de BRAC.

Als overtuigd antimilitarist was Ortt aanwezig op het internationale antimilitaristische congres van augustus 1904 te Amsterdam, waar de IAMV werd opgericht. Nadat de 'leer' van lijdelijk verzet, grotendeels gebaseerd op christen-anarchistische beginselen, verworpen werd, liepen de christen-anarchisten weg. Het IAMV-orgaan De Wapens Neder (september 1904)schreef: "En de heer Felix Ortt sloeg er een taal uit die hem helemaal niet volgt omdat hij doorlopend kwezelt van liefde en nog eens liefde". Ortt bleef antimilitarist: zo ondertekende hij na het uitbreken van
de eerste wereldoorlog (in september 1915) het bekende Dienstweigeringsmanifest, waarin christenen, socialisten en anarchisten protesteerden tegen militaire dienstplicht en opriepen tot dienstweigering.

In april 1916 werd een 'Comité van Actie tegen den Oorlog en zijne Gevolgen' opgericht, waarvan het VMV deel uitmaakte en waarin Ortt een rol van betekenis speelde. Ortt en Van Mierop bleven na de oprichting van de nieuwe 'Vrede-groep' in Utrecht contact houden: Ortt vestigde zich in Soest op Van Mierop's 'Vredehof', waar hij hem hielp bij het opzetten van zijn Engendaal-school te Amersfoort, die in 1913 werd gesticht door 'Chreestarchia'. Later zou de libertaire school opgaan in de Van der Hucht-school. Goed onderwijs achtte Ortt van essentieel belang voor de ontwikkeling van het beginsel der 'Liefde'. De leerkrachten zouden samen met de ouders de kiemen daarvoor moeten leggen. "Aldus is het streven der christelijke anarchie: niet de staat en het Koningsschap afschaffen door geweld, maar door geleidelijke opwekking van het Beginsel der Liefde in de openbare mening."

Als overtuigd geheelonthouder en vegetariër kantte hij zich fel tegen vivisectie. In Ons Standpunt (1920),
uitgegeven door de Nederlandse Bond tot Bestrijding der Vivisectie, schreef hij: "De vivisectie noemen wij een kwaad, een onrecht, een schandvlek voor onze christelijke samenleving - dat mogen we doen; dat is juist, dat voelen we en beseffen we, en het is ons recht dit kwaad als kwaad ten toon te stellen; (...) Waarachtig is onze strijd dán, als wij, die de wetenschappelijke dierenmartelingen afkeuren, niet zelf medeplichtig zijn aan andere dierenmartelingen ter wille van ons genoegen, smaak, vermaak of opschik".

REIN LEVEN

Veel tijd en energie heeft Felix Ortt gestoken in de Rein Leven-beweging, zeker geen homogene groepering, zoals nog zal blijken. Met Van Mierop en Van Rees vormde Ortt de stuwende kracht achter deze in 1901 opgerichte beweging, die als voornaamste doelstelling het vergeestelijken van het sexuele leven had. Een van de eerste dingen die hij ondernam, was het ozoniseren van het drinkwater, hetgeen goed paste in het kader van de denkbeelden van de beweging en waarmee hij aantoonde, dat hij niet voor niets ingenieur was. Binnen Rein Leven bekritiseerden orthodoxe christenen Ortt, niet alleen omdat hij in 1905 een vrij huwelijk sloot met Tine Hinlópen, maar vooral omdat ze van mening waren dat hij te ver ging in zijn sexuele hervormingsdrift. Anderzijds kon hij op weinig sympathie rekenen van de leden van de Nieuw-Malthusiaanse Bond (NMB), die hem een (te) ascetische houding verweten: hij pleitte immers niet voor de 'kunstmatige' middelen die de NMB propageerde, maar voor sexuele onthouding, Op zijn beurt betichtte Ortt de bond bij te dragen aan 'zedelijke verslapping'.

Als romancier Felicia. Het boek der roeping, Felicia. Het boek der vervulling (1905) en Heidekind (z.j.) - trachtte Ortt eveneens zijn ideeën aan de man/vrouw te brengen. Voortdurend werd benadrukt dat, naarmate verstand en geweten meer ontwikkeld werden, deze sterker als rem zouden werken op de zinnelijke lusten. Kortom: geslachtsdrang diende alleen te worden beschouwd als voortplantingscriterium, toegeven aan lustgevoelens was een daad die indruiste tegen de evolutie. Homosexuelen konden al helemaal geen begrip bij hem opwekken. Dit soort denkbeelden ontwikkelde Ortt wellicht het meest concreet in Rein Leven. Correspondentieblad (1901-1907) en in Rein Leven. Propagandablad (1901-1907). Tot het einde van de Rein Leven-beweging (1931) zou hij een prominente rol spelen: van 1918 tot 1925 maakte hij deel uit van de Centrale Commissie. Al in een vroeg stadium (1904) werd een door hem opgestelde voorlopige beginselverklaring aangenomen:
De Rein Leven-beweging stelt zich ten doel een streven naar rein leven, dat is een leven dat niet beheerscht wordt door zinnelijk-sexueele neigingen
.
Het blad Levenskracht, dat enige tijd tegenhanger was van Rein Leven, werd in 1914 een jaar lang door hem geredigeerd.

Gewoonlijk wordt Ortt beschouwd als de belangrijkste denker onder de Nederlandse christen-anarchisten. In zijn denkbeelden staat een evolutionaire geest centraal, die wel 'moet' leiden tot het Absolute. In dit verband spreekt hij van de 'Christusgeest', wat niet wegneemt dat hij geen ander gezag erkende dan het eigen geweten. In Denkbeelden van een christen-anarchist bepleit hij de volgende houding jegens de staat, voor hem een overgangsvorm, een noodzakelijk verschijnsel in de evolutie der mensheid, waartegen men lijdelijk verzet diende te plegen. Ortt geloofde stellig in een maatschappij zonder privé-eigendom en volgens hem was het noodzakelijk het egoïsme van de mens, belichaamd in het kapitalisme, op te heffen door het stellen van een voorbeeldfunctie, door zelf een voorbeeldig leven te leiden. Het hoeft nauwelijks betoog dat de vijf geboden van Jezus uit de Bergrede, waar Tolstoj ook al de aandacht op gevestigd had in Het Koninkrijk Gods is Binnenin Ulieden (1893), grote invloed had op vrijwel alle christen-anarchisten. Wat betreft oosterse filosofieën schreef hij: "In Boeddha kan men de Meester leren kennen die de rechte lijn voegde; die het ideaal vast in het oog hield en toch aan de mensen die tot hem kwamen om raad, aan kooplieden en krijgslieden, midden in het volle leven staande, leerde hoe zij hun levenspraktijk konden verheffen tot het hoogst bereikbare". Ook in dit opzicht volgde hij de eclecticus Tolstoj.

Heel duidelijk heeft Ortt zijn christen-anarchistische denkbeelden weergegeven in Christelijk-anarchisme (1898), waarin hij schreef dat de christen-anarchist overeenkomstig het beginsel der Liefde diende te leven en alles wat daarmee in tegenspraak was - leger, vloot, politie, rechterlijke macht, staat, kortom: dwang - uit de weg moest gaan. Tevens moest hij of zij streven naar gelijkheid voor allen. "Maar zijn grootste zorg, zijn ernstigste steven, zal zijn in opbouwende richting, om de publieke opinie te leiden tot het waarderen en beoefenen van het Beginsel van de Liefde."

LITERATUUR
H. Ariëns e.a., Religieus anarchisme in Nederland tussen 1918 en 1940. In het rijk der vrijheid. Zwolle,
1984.
F. Becker/J. Frieswijk, Bedrijven in eigen beheer. Kolonies en productieve associaties in Nederland
tussen 1901 en 1958
, met bijdragen van J.M. Wekker en F.J.M. van Puijenbroek. Nijmegen, 1976.
A. de Groot, 'De weg tot de kuisheid voert door nuchterheid'. De Rein Leven Beweging in Nederland 1901-
1930
. Groningen, 1983 (scriptie).
R. Jans, Tolstoj in Nederland. Bussum, 1952.
H. Ramaer, 'Tolstojanisme in Nederland'; in: De AS 57 (1982).

GESCHRIFTEN VAN FELIX ORTT
-Christelijk anarchisme. Haarlem, 1898. -Het beginsel der liefde. Haarlem, 1898. -Rein Leven en Geheelonthouding.
Soest, 1903. -Praktisch socialisme. Amersfoort, 1903. -Het streven der christen-anarchisten.
Amersfoort, 1903. -De vrije mensch. Studies. Amersfoort, 1904. -Aan mijn zusje. Brief over het geslachtsleven.
Soest, 1904. -Het Nieuw-Malthusianisme uit een ethisch oogpunt beschouwd. Soest, 1904. -
Sexueele ethiek. Amersfoort, 1904. -Liefde en huwelijk. Nieuwe, geheel ongew. uitg. Den Haag, 1905.
-Een zedelijke plicht der ouders. Soest, 1905. -Over een gevaarlijke gewoonte. Een ernstig praatje met onzen jongen. Soest, 1908. -De Rein Leven Beweging. Ontstaan, beginselen en organisatie. Z.p., zj. (1909).
-Sexueele opvoeding. Soest, 1916. -Denkbeelden van een christen-anarchist. Rotterdam, 1901 (diverse herdrukken). -Menschwaardig arbeidsleven. Soest, 1919. -Tweede brief aan mijn zusje. Over verloving en huwelijk. Soest, 1920. -Y. Hettema e.a., Van en over Felix Ortt. Gedenkbundel uitgegeven bij gelegenheid van zijn 70ste verjaardag. Den Haag, 1936. -De praktijk van de Bergrede. Z.p., z.j. -Des Christens standpunt tegenover het maatschappelijk leven. Soest, 1912 (met Lod. van Mierop).

Sunday, 30 August 2009

Christen-anarchisme: paradox of paradigma?


Vertogen waarin het anarchisme ter sprake komt beginnen steevast met een uitleg van het woord. Er moet namelijk altijd duidelijk gemaakt worden dat het niet om het streven naar de grootst mogelijke chaos en geweld van allen tegen allen gaat. In het algemeen kunnen anarchisten juist tegenwerpen dat de huidige wanorde van de zogenaamde onmaakbare samenleving, de maatschappij van de Markt, aan die omschrijving uitstekend voldoet: als chaos en geweld het streven van anarchisten is hoeven zij niet meer te streven.

Anarchie, een woord dat al bij Herodotus voorkomt, betekent "het ontbreken van een bevelhebber", bij uitbeiding in de zin van het anarchisme: het ontbreken van opgelegd gezag oftewel regeringsmacht. Dit na te streven betekent juist het streven naar orde, maar dan een andere, men zou ook kunnen zeggen: echte orde, zonder opgelegde regelgeving. De belangrijkste denkers van het anarchisme zijn uitgesproken ordenaars. Wie dit eng vindt klinken zal niet weten dat "Nieuwe Orde" in diverse landen de naam van een anarchistisch tijdschrift geweest is, en dat de fascisten pas later op het toneel verschenen zijn om met die woorden op hun manier aan de haal te gaan. Omdat geweld het opleggen van macht aan anderen inhoudt sluiten anarchie en geweld elkaar uit - ook hier zijn laten we zeggen nogal wat misverstanden over, ook in kringen van wie zich anarchist noemen.

"Anarchie" mag dan een oud woord zijn, "anarchisme", het streven naar "anarchie", is een negentiende-eeuws begrip, en dus tamelijk nieuw. Voor het verdere betoog is het belang de twee hoofdbestanddelen van de orde van de anarchie min of meer te definiëren: vrijheid en socialisme. Niets zo hachelijk als definiëren van maatschappelijk-filosofische begrippen in het algemeen en die van "vrijheid" in het bijzonder. De mooiste en kortste die ik ken is die van de Nederlandse filosoof Beerling: vrijheid is transcendentale openheid. Deze omschrijving biedt wie het woord "vrijheid" gebruikt inderdaad de vrijheid dit in te vullen, en tevens zit het overstijgen van het bestaande er in besloten - en voor het vervolg is het ook van belang dat het "transcendente" al haast vanzelf naar religie verwijst. Socialisme, lange tijd synoniem met communisme - ook hier heeft woorddiefstal door aanhangers van dictatuur plaatsgevonden, zoals we maar al te goed weten - betekent kortweg: gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen. Wat dit betekent zou het enige relevante maatschappelijke debat moeten zijn, een debat dat nu niet gevoerd wordt in deze streken.

Eén bestanddeel van het anarchisme zoals dit in de negentiende eeuw opgekomen is, is het afwijzen van het opgelegde gezag bij uitstek, voor het gevoel van de meeste anarchistische denkers: God, waarbij de fout werd en wordt gemaakt een soort projectie van kerkelijke machthebbers of gelovigen als de opperbaas te zien, waarvan Bakoenin zei: "Als God bestond moest hij afgeschaft worden". Atheïsme wordt in het algemeen als vast bestanddeel van het anarchisme gezien. Nu laat de of het Oneindige, de of het Eeuwige - de traditie wil dat er een geslachtelijk voornaamwoord aan God verbonden is, maar dit is slechts de uitdrukking van menselijke beperking -, de Eeuwige laat zich niet met een bon mot afschaffen. Hij bestaat omdat Hij de grondslag van alle bestaan is. God is niet te definiëren, un Dieu défini est un Dieu fini - maar de macht die de menselijke macht te boven gaat is per definitie niet te bestrijden. Ook de ontkenning is een bevestiging: daarom is geen atheïst tot nu toe geslaagd in een overtuigend atheodicee, het definitieve bewijs voor het niet-bestaan van God - atheïsten houden zich bezig met betogen tegen gelovigen, niet tegen God. Atheïsten hebben dus steeds gelovigen nodig voor hun vertoog, het omgekeerde is niet het geval, en we kunnen hen dan ook vrijmoedig en liefdevol in hun atheïsme negeren. En hiermee is het antwoord al gegeven of "christen-anarchisme", of bij uitbreiding en algemener: religieus anarchisme, een paradox inhoudt; dat is het niet, je kunt het net zo goed een pleonasme noemen.

De term "christen-anarchisme" is uiteraard jonger dan het woord "anarchisme" zelf, dat omstreeks de tijd van Proudhon in gebruik komt (ikweet niet zeker of hij het als eerste gebruikt heeft). Christen-socialisme was al een stroming in de Angelsaksische wereld, de eerste keer dat het woord "Christelijke anarchie" op deze wijze gebruikt is (1893) is naar mijn weten in verband met Lew Tolstoy, door de Duitse filosoof Eugen Heinrich Schmitt. Hij verwijst naar het christendom van de schrijver van Oorlog en vrede en Anna Karenina, dat op zijn beurt weer geïnspireerd is door ijverende groepen in Rusland, als de Doechoboren, die alle wapenbezit afwijzen - en verder door de transcendentalisten Emerson en Thoreau, en via Schopenhauer door het boeddhisme. In 1897 schrijft de Nederlandse waterstaatkundig ingenieur van hervormde afkomst, Felix Ortt, een boek Christelijk anarchisme, herdrukt onder de titel Het beginsel der liefde, waarmee de woordcombinatie in Nederland geïntroduceerd is. Het duurt daarna negentig jaar voordat de combinatie opnieuw opduikt, bij de Amerikaanse hutteritische theoloog Vernard Eller, die zijn boek opdraagt aan de Franse jurist/socioloog/theoloog Jacques Ellul, die in hetzelfde jaar, 1987, als zijn laatste belangrijke boek Anarchie et christianisme publiceert (ik verneem tot mijn genoegen dat het onlangs herdrukt is), het belangrijkste eigentijdse vertoog waarin het christendom voor anarchisten wordt verklaard en omgekeerd. Er moet op het einde van de negentiende eeuw een uitgesproken rechtse staatsafwijzende Amerikaanse theoloog zijn geweest, heb ik van onder anderen Daniel Berrigan vernomen, die zijn stelsel "chistian anarchism" noemde - ik weet daar verder niets van, en ik vermoed dat dit een anarchisme zonder socialisme is - en dat noemen we toch in het algemeen liberalisme.

De nieuwste uiting waarin de woordcombinatie voorkomt is van de Australische "reborn Christian" Dave Andrews, die "opnieuw" bekeerd is, en in 1999 het boek Christi-Anarchy deed verschijnen. De Geest is er, nog steeds en misschien wel meer dan ooit. En het aardige is, dat christen-anarchisten er steevast op wijzen, dat ze helemaal niets nieuws verkondigen, ten hoogste iets wat zo oud is dat het vergeten is en daardoor nieuw lijkt (Peter Maurin hamert daarop, bijvoorbeeld).

Het streven naar vrijheid en socialisme is in alle religies terug te vinden -, het boeddhisme en het taoïsme zullen u zeker niet verbazen in dit verband, de islam wellicht wat meer - maar hoe interessant ook, laten we ons beperken tot het christendom omdat we niet te veel kunnen omhalen, en er is in en rond het christendom al zoveel te noemen - ik noem in het voorbijgaan even bij de naaste buren de joodse denkers Gustav Landauer en Martin Buber die de inspiratoren zijn van de kibboets-beweging in Israël - maar: het Christendom dus.

*


De belangrijkste teksten in het Evangelie waar christen-anarchisten hun gezindheid op funderen zijn de bergrede (Matth. 5:1-7:28) en Handelingen 2:45, 4:32 (over het gemeenschappelijk bezit en het verdelen van het overtollige onder de armen bij de oergemeente in Jeruzalem). Toen het anarchistisch tijdschrift De AS in 1991 een themanummer over christen-anarchisme uitbracht, besprak het dagblad Trouw dit opvallend uitgebreid, en onder andere mij werd toegeschreven dat ik zeker wist dat Jezus een anarchist was. Ik had de indruk dat Trouw als christelijke krant daar een beetje trots op was. En er zijn nog genoeg andere plaatsen in de Evangeliën aan te wijzen, die deze kwalificatie zouden wettigen. Wat Trouw niet vermeldde was dat ik nogal huiverig ben over het interpreteren van de Evangeliën als historie, inclusief het verhaal van de Handelingen. Jezus historiseren betekent Hem ter discussie stellen, en dat staat ons natuurlijk vrij, maar men kan beter besluiten gewijde geschiedenis niet als werelds historieverhaal te zien.

Bijvoorbeeld, en dat is in dit verband het belangrijkste: hoe lang hebben die eerste christenen dat communisme volgehouden? Het moet allang afgelopen zijn geweest toen de Romeinse keizer Constantijn zich tot het christendom bekeerde na een ingeving dat hij een veldslag zou winnen in het teken van het kruis (IHS): een Romeins keizer laat zich natuurlijk niet overhalen door pacifisten en mensen die in vrijwillige gedeelde armoede leefden - ik zou dan eerder aan een keizer als Marcus Aurelius denken, maar die was stoïcijn en stond als zodanig niet ver van de christelijke ethiek af - maar hij vervolgde de christenen wel. Het bekeren van de keizer ter wille van de oorlogvoering, en het tot staatsgodsdienst uitroepen van het christendom vervolgens door keizer Theodosius, is door pacifistische christenen in deze eeuw de zondeval van het christendom genoemd (Heering, Boschma). Dat kan kloppen, maar over het pacifisme en communisme van de christenen tussen de oergemeente die in Handelingen genoemd wordt en het ogenblik van de bekering van de keizer moeten we ons maar geen illusies maken. De passages in Handelingen zijn een richtsnoer, de bergrede houdt een opdracht in - via Peter Maurin citeer ik G.K. Chesterton: het christendom heeft niet gefaald, het is nog nooit uitgeprobeerd...

De opdracht is evenwel verstaan, de anarchistische tendens loopt als een rode draad door de geschiedenis van het christendom, juist doordat die opdracht en dat richtsnoer er zijn. Het communistische leven is van oudsher in praktijk gebracht in de cenobitische kloostergemeenschappen, die al in de vierde zoniet de derde eeuw opkomen in Egypte, en die tot op heden voortbestaan. Sommige van die kloostergemeenschappen of communauteiten werden als op het randje van de ketterij beschouwd, of over de rand: in de Nederlanden denk ik aan de Begijnen en de Broederschap des Gemenen Levens van Geert Grote. Alleen al het begip "ketter" vraagt als het ware om een anarchistische reflex: wie meet zich de macht aan om het geweten van anderen te beoordelen? Op dat geweten kom ik nog terug...

Het is in dit bestek, en trouwens in het algemeen ondoenlijk, om bij benadering een volledige opsomming te geven van stromingen in het christendom die de christen-anarchistische geest hebben, of alle personen te noemen. Het christendom beslaat tenslotte in tijd en plaats een grote ruimte - door onwetendheid en andere beperkingen zullen de genoemde namen eurocentrisch aandoen, en meer nog: beperkt blijven tot Nederland. Van de zogeheten ketters noem ik niemand, in de eerste plaats uit tijdgebrek, in de tweede plaats uit onwetendheid. Wel even dit: de Franse koning, de Heilige Lodewijk, kan alleen zo heten als je "even" voorbijziet aan de duizenden ketters die hij heeft laten afslachten. Eerlijk gezegd zie ik de heiligverklaring van zo iemand in het bijzonder, en van anderen in het algemeen, als een vrijwel onoverkomelijk bezwaar tegen het rooms-katholicisme: alle christenen hebben de opdracht heilig te zijn - en dat massamoord niet met heiligheid samengaat lijkt mij niet voor discussie vatbaar. Het verbaasde mij dat pacifist en schrijver voor de Catholic WorkerThomas Merton blij is met zijn kloosternaam "Louis"...

Door christen-anarchisten worden de Kerkvaders Tertullianus en Johannes Chrysostomos regelmatig als voorlopers genoemd: de laatste was een steen des aanstoots voor de keizer door zijn prediking ten gunste van de armoede. De kloostergemeenschappen hebben ook steeds hun hervormers gehad, en Franciscus van Assisi is uitdrukkelijk als voorloper gezien door de negentiende/twintigste-eeuwse christen-anarchisten in Engeland en Nederland, wegens zijn pacifisme en diervriendelijkheid. Peter Maurin laat zich tot zijn Groene Revolutie inspireren door wat hij noemt "the Irish scholars", de aparte Ierse katholieke kerk, die ten onder is gegaan door de Engelse bemoeienis met Ierland, maar die volgens hem de beschaving in Europa gebracht heeft, en wiens kloosters of hospitia hem ten voorbeeld waren voor de Huizen van de Catholic Worker. Van de grote middeleeuwse mystici is speciaal Meister Eckehart geadopteerd door Gustav Landauer. Men kan in het algemeen zeggen dat de mystiek een ontkenning van wereldse machten inhoudt.

Van de grote Hervormers kan alleen Zwingli enigszins de christen-anarchistische toets doorstaan, daarnaast is er een rij die er niet in geslaagd is een kerk te stichten en evengoed door de grote namen verketterd zijn: Franck,.... De wederdopers zijn voorzover ze pacifistisch zijn (en afgezien van Munster hebben ze zich dat tot op heden juist wel bij uitstek getoond) wel voorlopers of voorbeelden. Ook de Society of Friends (Quakers/Kwakers) getuigen van de Geest. In Nederland in de zeventiende eeuw zijn er de Collegianten, die buiten of naast de gevestigde kerk aan zorg voor de armen doen en de volwassenendoop door volledige onderdompeling kennen. En dan vermeld ik nog de Labadisten die in een soort koloniestichting gaan wonen, en van wie Anna Maria van Schuurman, de eerste Nederlandse academica, de bekendste is.


In de vroege negentiende eeuw is er de beweging van de Christelijke Broedergemeente van Stoffel Muller, meer bekend onder de naam Zwijndrechtse Nieuwlichters - we komen dichterbij in zoverre dat hier voor het eerst christelijke beginselen in botsing komen met de moderne staat. De gemeente is voortgekomen uit de bevindelijke kringen van de Hervormde Kerk, de zogenaamde oefenaren, die de meeste voorgangers als te "licht" en te conciliant ten opzichte van "de wereld" afwezen. De Zwijndrechters weigeren wapens te dragen en er wordt voor hen de mogelijkheid tot hospitaaldienst bij de schutterij opengelaten: met de dienstplicht komt dus ook de vervangende dienstplicht op. De opgeroepen Zwijndrechters berusten hierin. Zij wonen in enkele communauteiten (koloniehuizen), en doen aan eenvoudige nijverheid en handel. Ook over deze uiterst interessante beweging moet ik wegens het tijdgebrek verder zwijgen.

De combinatie moderne hervormde theologie, de kennismaking van theologen als aankomende dominees met de ellende in de arbeiderswereld en de inspiratie van Lew Tolstoy heeft tenslotte geleid tot de eerste Nederlandse beweging die zich christen-anarchistisch noemde. Zij groepeerden zich rond het blad Vrede, en hebben diverse kolonies gesticht - die in Blaricum is spreekwoordelijk rampzalig geëindigd na belegering en brandstichting door het dronken gepeupel uit de omliggende dorpen. We schrijven 1903. De betrokkenen bij deze beweging, de Internationale Broederschap, hebben als gideonsbende een indrukwekkend stempel op de huidige Nederlandse samenleving gezet: als drankbestrijders; als voorvechters van vegetarisme en natuurgeneeswijze; als bestrijders van vivisectie en mede-oprichters van de Dierenbescherming; als bevorderaars van zelfstandige bedrijven door de arbeiders zelf beheerd (in Amsterdam is er nog steeds schoonmaakbedrijf "Nieuw Leven", maar er zijn ook nog drukkerijen; er zijn zelfs scheepswerven geweest en textielbedrijven: Ploegstoffen); als bestrijders van de dubbele moraal op seksueel gebied en bevorderaars van seksuele voorlichting, hoe merkwaardig wij hun streven in de Rein Levenbweging in onze achterafwijsheid ook mogen vinden, het blijft onmiskenbaar belangrijk; als strijders voor de gelijkberechtiging van de vrouw; als strijders tegen het fenomeen gevangenis en tegen het strafrecht in het algemeen; als onderwijsvernieuwers - oprichters van verscheidene scholen ingericht naar hun ideeën; en - ik zal nog wel het een en ander vergeten zijn - tenslotte, als voorvechters van de gewetensvrijheid en in overeenstemming met de opdracht van de bergrede: als geweldloze strijders tegen het wapengeweld en de geïnstitutionaliseerde slavernij-tevens-opleiding-tot-moordenaar die men dienstplicht noemt. In 1915 nemen zij het initiatief tot het Dienstweigeringsmanifest, de oproepen tot individuele dienstweigering hadden in zoverre sukses dat hiertoe een wettelijke mogelijkheid is ingesteld. De hervormde vredesbeweging had er zonder de christen-anarchisten heel anders uitgezien in Nederland.

Namen: Lod. van Mierop, Louis Bähler (die nog voor een "scheuring" in de Hervormde Kerk heeft gezorgd door zijn sympathie voor het boeddhisme), Jac. van Rees, Titia van der Tuuk, Margaretha Meijboom, Marie Jungius (grondlegster van het zondagsschoolwerk in Nederland), J. Sevenster, S.v.d. Berg, Cor Bruijn en lest best Felix Ortt, die zich in zijn 93 levensjaren (1866-1959) met alles wat ik genoemd heb heeft beziggehouden, tot het laatst. Ortt heeft ook nog een filosofisch-theologisch stelsel ontwikkeld, het pneumat-energetisch monisme, waarin hij de moderne wetenschap met God verzoent (want zo moeten we het natuurlijk uitdrukken, niet omgekeerd zoals "moderne mensen" misschien denken) - en hij is in Nederland pionier geweest op parapsychologisch gebied, en om vrijwel volledig te zijn: hij heeft baanbrekend werk verricht op waterstaatkundig gebied, als ontwikkelaar van het systeem van getijtafels. Een latere generatie, die zich religieus-anarchistisch noemde: Kees Boeke (van de school in Bilthoven en de sociocratie, een radicaal-democratisch stelsel van organisatie binnen bedrijven), Bart de Ligt, A.R. de Jong... - zij hebben een nog steeds merkbaar stempel gezet op het anarchisme in Nederland. Juist toen ik al deze mensen ontdekte en er over schreef in mijn rijkelijk verlate doctoraalscriptie (ik had steeds het gevoel gehouden dat mijn studie een bijdrage moest zijn tot een betere wereld, hier was het zicht op die betere wereld, maar was dit streven niet allemaal voorbij?) - toen dook plotseling de De-fencebeweging op, de niet geheel geweldloze beweging rond bijltjesman Kees Koning, die zich zowaar christen-anarchist noemde - voor het eerst lieten de rooms-katholieken van zich horen op dit gebied in Nederland. Kloosterzusters met glinsterende ogen die hun sympathie uitspraken voor deze acties tegen wapentuig: het leek een droom - het was niet voorbij.

Maar laat ik in vogelvlucht nog wat grote namen uit andere landen noemen, die u wellicht bekender zullen klinken, en die binnen het christen-anarchistische paradigma vallen. De Deense filosoof-theoloog Sören Kierkegaard in de eerste plaats, als bestrijder van de lauwheid binnen de lutherse Deense staatskerk. De vele koloniestichters in Noord- en Zuid-Amerika, een wereld apart. De Russische secten, waarvan de Molokanen en Doechoboren, als afwijzers van geweld tegen mens en dier Lew Tolstoy hebben geïnspireerd, die op zijn beurt de bewegingen in Nederland (zoals al genoemd), Engeland, Zwitserland, Hongarije, Bulgarije en natuurlijk Rusland zelf inspireerde. Een beweging die zich op Tolstoy beroept is de laatste tien jaar weer bovengronds actief in Rusland - helaas weet ik er verder niets van af. Voorts: de gebroeders Blumhardt, Duits-Amerikaanse theologen; de belangrijkste protestantse theoloog van de afgelopen eeuw, Karl Barth, heeft in zijn combinatie van afwijzen van wereldlijke overheid en zijn socialisme, een christen-anarchistische trek. De grondlegger van de gedachte van de tuinstad, oorspronkelijk een utopisch-architecturaal ontwerp, Ebenezer Howard, was christen-anarchist. Jacques Ellul, op wie ik tot slot nog terugkom, heeft voor het Franse taalgebied de term ingang doen vinden. Zelf zou ik Schumacher ("Small is beautiful") zeker als religieus-anarchist willen betitelen, en - eindelijk zijn we bij de katholieken, zult u verzuchten - dit geldt zeker voor onze nu naar de waan van de dag vergeten tijdgenoten Paulo Freire en Ivan Illich.

Zoals de Verenigde Staten hun eigenaardige christen-anarchistische tradities hebben in de sferen van de Hervorming, zo hebben zij ook de Catholic Worker voortgebracht. Het werk van de combinatie van de bekeerlinge Dorothy Day en de Occitaanse immigrant Peter Maurin. Met haar mengsel van katholieke sociale leer en het bijbehorende activisme, het personalisme, het Engels-katholieke distributisme en anarchistisch socialisme een geheel aparte loot aan de rijkvertakte boom van het christen-anarchisme. De Catholic Worker Movement heeft het klaargespeeld binnen de grenzen van het katholicisme hun anarchisme vorm te geven, met hun strijd tegen de wapenindustrie, voor vakbondsrechten en bovenal hun Houses of Hospitality - die op hun beurt een stoet van nieuwe grote, Amerikaanse namen heeft opgelevers, als Thomas Merton, Amon Hennacy, Robert Ellsberg, Daniel en Philip Berrigan, Henri Nouwen... De grote vraag: hoe combineer je anarchisme met de suprematie van de paus wordt misschien beantwoord door het beklemtonen van de rol van het eigen geweten door Peter Maurin: het geweten gaat de paus te boven. Blijkbaar lukt het nog steeds binnen de Katholieke Kerk en zijn daar dus meer woningen dan ik als acatholicus denk. Dat staan op de eigen gewetensvrijheid is het hoofdkenmerk van alle christen-anarchisten. Waarbij ik moet aantekenen dat Peter Maurin de paus als plaatsbekleder van Christus in het hier en nu opvat, zoals de katholieke leer voorschrijft - en tegen de plaatsbekleder van Christus hoeft de anarchist niet in opstand te komen. Moeilijk te accepteren voor de niet-katholiek, en misschien zelfs voor menige wel-katholiek.

Dat christen-anarchisme geen paradox is meen ik wel duidelijk gemaakt te hebben, al aan de hand van de geschiedenis. In hoeverre is het ook het paradigma voor zowel het christendom als het anarchisme? Dat christenen zichzelf tegenspreken door zich met de wereldlijke macht te verbinden is helaas nog steeds niet voor iedereen vanzelfsprekend: in kersverse staten als de opvolgerstaten in Joegoslavië verbinden kerken zich met deze oorlogszuchtige staten. Voor het anarchisme ligt het paradigmatische wat mij betreft gemakkelijker. Er is geen weg naar vrede, vrede is de weg. Socialisme heeft alleen betekenis als het hier en nu al in praktijk wordt gebracht: door werken in zelfbeheer buiten de staatskanalen om, door de vrijwillige armoede en zorg voor de naaste. Dit kan men zien als de voortdurende kritiek van het bestaande, dat niet waar kan zijn (Marcuse), een kritiek die verder ook in geschrifte en dergelijke geuit kan worden.

Maar is de mooie maatschappij dan niet iets van de toekomst, na een revolutie? Daarvan valt slechts te zeggen: de enige revolutie is de ontbinding van het geweld, en die gedoogt geen uitstel - geen toekomst zonder heden. De revolutie is in de termen van Jacques Ellul het optreden van God tot behoud van menselijkheid en daarmee de mens. Wie God zoekt, heeft Hem al gevonden, zo citeert Dorothy Day Pascal regelmatig. Wie een taak zoekt ter overwinning van het geweld heeft deze al gevonden, hier en nu - dat is het christen-anarchistisch paradigma, de enige kans inderdaad voor de mensheid - deze grote woorden hoeven we niet te schuwen.

- Lezing gehouden in het Jeanette Noelhuis, Amsterdam, zomer 2000.

Thanks to Rev. Peter Francis for the suggested title.

Tuesday, 4 August 2009

"Bij haar alléén heerscht vrijheid!" - Nederlandse anarchisten en het ontwakend natuurbesef rond 1900

Omstreeks de vorige eeuwwisseling ontwaakte het natuurbesef in tamelijk brede kring in de geïndustrialiseerde wereld, en dus ook in Nederland. De interesse voor alles wat leeft en groeit, het streven tot behoud van gebieden die "natuurmonumenten" genoemd worden en het zich verdiepen in wat een natuurlijke levenswijze zou kunnen zijn komen zeker niet toevallig in die tijd op deze plaats naar voren. Of men nu zelf voor levensonderhoud afhankelijk was van de opkomende industrie of niet, steeds minder mensen woonden op wat in Nederland het platteland heet. Het uit het zicht verdwijnen van een "groene" omgeving bracht sommigen op het idee dat het zelf spitten in de grond en het verbouwen van gewassen ongeveer neerkwam op "terug naar de natuur" gaan - een misverstand dat in de meeste gevallen gedoemd was op teleurstelling uit te lopen.

De natuursport, het toegeven aan de roep der velden, was oorspronkelijk wel een aangelegenheid van "heeren", de bourgeoisie, maar het is ongetwijfeld vooral de verdienste van Heimans en Thijsse geweest dat ook de volksklassen in bredere zin oog hebben gekregen voor de natuur. Parallel aan de arbeidersbeweging ontstonden wandel- en studieclubs, veelal van sociaal-democratische signatuur. Het NIVON met zijn natuurvriendenhuizen is hiervan een nog voortbestaand getuigenis. En in het algemeen zullen mensen ter linkerzijde van de sociaal-democratie zich hierbij hebben aangesloten. Hebben anarchisten in Nederland bijgedragen aan het ontwakend natuurbesef? Het antwoord kan bevestigend luiden, er dient alleen aan toegevoegd te worden dat zij een enigszins aparte rol hebben gespeeld.

"Onbekommerd" was de lijfspreuk van Jac. P. Thijsse - hij had wel oog voor wat er mis was of mis kon gaan in de verhouding tussen mens enerzijds en dier, plant en landschap anderzijds, maar hij verhaalt toch steeds, uitnodigend tot navolging, van wat er aan interessants te zien en te beleven is. Dit geldt uiteraard ook voor E. Heimans, en voor een nu vergeten schrijver als S. Leefmans, wiens gebundelde stukjes uit Het Volk nog steeds uitnodigen tot zelf kijken, in navolging van de schrijver (voorzover er nog iets te kijken valt). De anarchisten nu zijn aanzienlijk minder persoonlijk-verhalend. Zij geven liever een wetenschappelijk onderbouwd betoog of hebben een humanitaire boodschap: men moet dier (en plant) goed behandelen. Verwondering en beschouwing lijken bij alle bekommernis juist te bezwijken. Laten wij vier van deze anarchistische pioniers nader bekijken.


1. Louis A. Bähler: "Lieve hond! lieve hond!"



September 1997 - de schrijver van deze regelen fietst in de Gaeltacht, ergens aan de Ierse westkust. Hij ziet een eindje in zee een kop boven water, waaronder duidelijk een dierenlijf voortzwemt. Een hond? Maar er duiken meer koppen op in de wijde omgeving, het moeten dus zeezoogdieren zijn. Grijze zeehonden, een stuk of zes, die zich in een baai bij afnemend getij tot vlak bij het strand wagen. Een eerste ontmoeting met deze dieren in het wild, en het is en blijft ook achteraf een ontroerende ervaring. De zeehond die het dichtst bij het strand zwemt kijkt de schrijver (mag je het zo zeggen? het lijkt in ieder geval zo) nieuwsgierig aan. Het dier demonstreert hoe goedgekozen de Nederlandse naam zeehond is. Later op de dag, als het echt eb is, ligt het gezelschap tevreden snurkend en snuivend op de plaat in de baai, zonder aandacht aan grote landdieren te schenken.

Ontroering, een ander woord kan ik niet gebruiken, en tegelijkertijd weet ik (en wist ik bij de ontmoeting) het waarnemen van deze zeehonden geladen met alle verhalen over zeehonden die men als mens anno 1997 meedraagt: over de selkie die de ziel van een jonggestorven kind overneemt; de massaslachting van jonge zeehonden, uitgebreid vertoond op televisie eind jaren zestig, en daarmee de aanleiding tot het oprichten van Greenpeace; de spreekwoordelijke aaibaarheid in combinatie met zieligheid, die tot in maanblaffers- en ultrarechtse kringen geëxploiteerd wordt en die aanleiding geeft tot scepsis - en toch... Tenslotte hebben de zeehonden (mogen wij aannemen) geen last van alles wat de ontroering bij zo'n ontmoeting in de weg zou kunnen staan.

Van 1895 tot 1902 staat de anarchistische dominee Louis A. Bähler op Schiermonnikoog. Zijn anarchisme, pantheïsme en sympathie voor het boeddhisme worden door de gemeente zeker geaccepteerd. Dominee is een beetje een rare, maar dat is op dit Friese eiland geen bezwaar. In een van de eerste nummers van het blad Dierenbescherming beschrijft hij hoe hij ruim twintig jaar eerder zijn eerste ontmoeting met een zeehond had, aan de westkant van het eiland: "Onze blikken drongen in elkander. Ik zag meer dan een dier, ik kon mij verbeelden, een soort mensch te zien. Neen, ik zag niets dan eene ziel. Maar de zeehond blafte niet, maakte geen enkel geluid of gebaar van afweer of aanval. Hij deed niets dan mij aankijken. En ik - "Lieve hond!" vleide ik. "Lieve hond! Lieve hond!" (...) "Lieve hond!" schreide ik, en al mijn leed over het leed, het dier door menschen aangedaan, barstte uit mij los."

Onbekommerd is niet direct wat men van Bähler en zijn confrontaties met zeehonden kan zeggen. In één geval moet hij de andere kant opkijken om niet te zien hoe een jong levend gevild wordt, tijdens een uitstapje naar Rottumeroog. Naar aanleiding hiervan vermeldt hij, "dat alle genot van dat Rottumer reisje mij bedorven is. Het is met bloed bevlekt. Want ik kan nu niet aan dat reisje terugdenken of ik zie elk herinneringsbeeld daarvan zich purper kleuren door dat tappelende bloed." Liever, kan men concluderen, had Bähler wel onbekommerd op Rottum rondgelopen, zodat men ook weer niet kan zeggen dat hij echt alle zeehondenleed steeds meetorste. Het genoegen van de natuursport wordt door de humanitaire bewogenheid bedorven, maar merkwaardigerwijze hebben de zeehonden toch een streepje voor op hun prooidieren, de vissen. Want dat Bähler op zijn tocht heen en terug over het Wad naar Rottum geen enkele vissersboot gezien zou hebben lijkt mij onwaarschijnlijk. Een deel van zijn Schiermonnikoger gemeente was trouwens visser. Bähler lijkt vooral pionier wat betreft de sensibilisering ten aanzien van de aaibare zeehond - een proces dat geëindigd is met de huidige consensus over de ongepastheid zeehonden af te maken voor hun bont of als voedselconcurrent van de mens (viseter). Te laat, maar zo lijkt het meestal te gaan.


2. Felix Ortt: grindwegen en heide



Jonkheer Felix Louis Ortt komt uit een familie waarin een loopbaan bij Rijkswaterstaat haast vanzelf lijkt te spreken, en de eerste 33 jaar van zijn leven treedt hij meer dan waardig in de sporen van onder anderen zijn vader. Hij studeert af op de paalworm, een weekdier (Teredo navalis) dat het gemunt heeft op houten zeeweringen en dat derhalve bestreden moet worden (1886). Als ingenieur derde klas treedt hij in dienst bij Rijkswaterstaat, en hier is hij betrokken bij de aanleg van het Merwedekanaal (thans voor het grootste deel Amsterdam-Rijnkanaal geheten, in nieuwere vorm), speciaal bij de omlegging van de Proostwetering. Tijdens zijn detachering in Maarssen loopt hij (de dan nog gangbare inheemse vorm van) malaria op, wat leidt tot zijn overplaatsing naar Brielle, en tot zijn bekering tot natuurgeneeswijze en vegetarisme, waarbij hij veel baat blijkt te hebben.

Als civiel ingenieur (tot 1894 in Brielle, daarna te 's-Gravenhage) speelt hij de rol bij de vormgeving van industrialiserend Nederland die in die tijd bij zijn beroep past. Hij publiceert onder andere over de bereikbaarheid van de haven van Harlingen, de boordbeveiliging van het kanaal door Voorne, verbetering van de beveiliging van de haven van Hellevoetsluis en over het zo efficiënt mogelijk aanleggen van grindwegen in de Hoeksewaard. Ook de bestrijding van de boorpissebed (Limnoria lignorum), die even schadelijk dreigde te worden als de paalworm, heeft zijn aandacht. Hij ontwerpt een naar eigen zeggen veilige buitenduins gelegen vissershaven voor Scheveningen en laat blijken het te betreuren dat zijn ontwerp niet wordt gehonoreerd.

Zijn belangrijkste bijdrage als medewerker bij de algemene dienst van Rijkswaterstaat is een verbetering van het systeem voor het opstellen van getijtafels. Hij ontwikkelde een methode waarbij ook rekening gehouden werd met het effect van wind, de zogeheten opwaaiing. Het werk beviel hem zo goed dat hij wilde afzien van de onvermijdelijke periodieke promotie, maar aan deze wens kon niet voldaan worden. Zijn afkomst en staat van dienst maakten promotie onvermijdelijk. Dit zal een rol gespeeld hebben bij zijn ontslag op eigen verzoek in 1899. De belangrijkste rol was echter weggelegd voor zijn bekering tot het (christen-)anarchisme in navolging van Tolstoy, waarvan hij in 1897 getuigenis aflegde in Het beginsel der liefde, ook Christelijk anarchisme geheten. Het werk voor de staat, en zeker bij Rijkswaterstaat, dat een rol speelde bij de landsverdediging en dus bij oorlogsvoorbereiding, was niet met zijn nieuw verworven overtuiging te verenigen. Hij deed ook afstand van zijn adellijke titel.

In 1888 beveelt de jonge ingenieur nog het Kempische systeem van bevloeiing aan voor het ontginnen en in weiland omzetten van de woeste heidevelden van Noord-Brabant, wat hem overigens op (technische) kritiek komt te staan van J. van Hasselt.Na zijn "bekering" tot het anarchisme (en in zijn geval mogen we de aanhalingstekens eigenlijk weglaten) verandert zijn houding tot wat als ongerepte natuur wordt gezien ingrijpend, en het meest tot de heide waarop hij het eerst nog zo voorzien had. "O hoe heerlijk, hoe heerlijk, op mijn breede bruine zonnige hei!" "Ik ken mijn heide, en mijn heide kent mij. Als ik bedroefd ben ga ik er heen en troost ze mij in moederlijke omhelzing." "Ik wil .. de hei op. Die heb ik al deze dagen niet begroet. Daar is ze eindelijk, ook zoo blij en stralend. Geen wolkje in de lucht, niets dan 't effen heldere blauw over het wijde warme brons. Ja, zelfs de hei, die anders zoo troosteloos-droevig liggen kan in den grijzen dag, of zoo stil en stervens-moe in den laatsten avond-zonneglans - ze is nu zoo vroolijk met al het blijde in de lente."

De ikfiguur is in dit geval nog zijn romanfiguur Felicia, maar het lijkt ook gezien de naam geen overmoedige stap om te besluiten dat Ortt er inmiddels zelf zo over dacht. Ortt heeft zich bij de stap "terug naar de natuur" - de meeste mensen denken nog steeds aan zoiets als Van Eedens Walden of de kolonie te Blaricum bij deze uitdrukking - niet beziggehouden met landbouw op grond die beter aan de heide overgelaten had kunnen worden. In Blaricum is hij drukker en als natuurgeneeswijze-adept min of meer de kolonie-arts. Als hij na de aanval van het gepeupel op de kolonie vertrekt zal hij in de buurt van de heide blijven, het grootste deel van zijn leven te Soest. Hier schrijft hij het lyrische gedicht "Mijn wijde heide", eerst verschenen in De Vrije Mensch, in afleveringen overgenomen in Natuurleven. En bepaald een imiterend eerbetoon aan de dichter van de Witte Waterlelie, Van Eeden: "'k Heb haar lief, mijn wijde heide/ met haar stille morgennevels". Natuurlyriek is ook de bladen van de christen-anarchisten niet vreemd, maar het is en blijft steeds een wat belerende lyriek. Ironischerwijze is het een eeuw later tamelijk algemeen bekend dat heide eigenlijk geen natuurlijk landschap is in Nederland en dat het met kunst- en vliegwerk in stand gehouden moet worden. Dit inzicht komt wel goed uit nu het overgrote deel van de heidevelden in deze eeuw alsnog zo bekwaam tot weiland ontgonnen moest worden - al dan niet naar de aanbevelingen van de jonge Felix Ortt...

Ortt is verder zeker niet zo sentimenteel als Bähler. Hij is wel geëngageerd wat betreft de omgang met en het gedrag jegens dieren, maar kan hier als natuurwetenschapsman op zijn eigen wijze afstandelijk over schrijven.


3. B.P. van der Voo: Wetenschappelijke bijdragen


In maart 1894 verscheen voor het eerst Wetenschappelijke bijdragen - geïllustreerd maandblad, onder redactie van B.P. van der Voo. Een blad op het formaat van de Sterringa-brochures (Sterringa werd in een later stadium ook de uitgever), anachronistisch gezegd: A5. Het blad heeft een moeilijke tijd doorgemaakt, die waarschijnlijk samenhing met de lotgevallen van de redacteur. Deze vluchtte in 1895 naar Mechelen om de weerplicht te ontkomen, en raakte daar in ballingschap in problemen met mede-anarchisten. Het zou interessant zijn na te gaan in hoeverre dit een rol speelt bij de herhaalde klacht over wanbetaling van abonnees en agenten, maar in deze eerste verkenning is dit niet aan de orde. Het blad verscheen slechts bij vlagen maandelijks - en geïllustreerd was het amper. In 1894 kostte een nummer 5 cent per stuk, in 1897 is de prijs verhoogd naar 10 ct., bij verzending 12 ct. per stuk. Dit mag men ook voor die tijd goedkoop noemen.


Dit wat onooglijke tijdschriftje heeft pionierswerk verricht bij het populariseren van de kennis over natuurkunde, scheikunde en biologie (de ondertitel was tenslotte: geïllustreerd maandblad tot verbreiding van eenvoudige begrippen over natuurkennis). Eenvoudig te lezen was het niet; bij artikelen over botanie werd het bezit van een flora voorondersteld. Medewerkers aan de eerste jaargang, die zich uitstrekte tot augustus 1895, waren: W. Meng, B. Damme, J. Sterringa, J.H.E. van Epen, Vital Nascenti (=?; een lang artikel over chroom en verfstoffen, met staalkaart) en Lychnis (waarschijnlijk Van der Voo zelf). Als Van der Voo in ballingschap is worden er meer artikelen in vertaling overgenomen uit buitenlandse bladen. Aan de jaargang van 1897 werd nadrukkelijk meegewerkt door S. Mars, assistent aan het Meteorologisch Instituut te Amsterdam, die zich vooral bezighoudt met het bestrijden van onwetenschappelijke weersvoorspellingen. Met de derde jaargang eindigt het bestaan van Wetenschappellijke Bijdragen. Het verschijnen van De Levende Natuur in hetzelfde jaar zal de ondergang van het noodlijdende blad zeker bevorderd hebben. De Levende Natuur was tenslotte wèl geïllustreerd en misschien ook toegankelijker voor degenen op wie Wetenschappelijke Bijdragen zich richtte, ook al was het duurder.

Het blad voorzover het nu beschikbaar is in openbare collecties is in hoge mate een verzameling Ditjes en Datjes die zonder veel samenhang bijeengesprokkeld zijn. Het feit dat de redacteur al spoedig van Rotterdam naar Mechelen moest verhuizen zal de samenhang en het overleg met schrijvers niet bevorderd hebben. Ondanks dit gebrek aan samenhang blijft het een aardig blad. De observaties van het gedrag van honden, paarden en ratten van B. Damme zijn opmerkelijk, en verder is alleen de duinwandeling van Van Epen gebaseerd op eigen recente ervaring "in de natuur". Van Epen is in hoge mate ge�nspireerd door Van Eeden (de vader van de dichter-schrijver) en diens Onkruid. Hij beschouwt het vermogen planten op naam te stellen bij de lezers als vanzelfsprekend.

Van der Voo doet voortdurend moeite om via Wetenschappelijke Bijdragen interesse te vragen voor zijn botanische verkenningen van de omgeving van Rotterdam - Schieland en het oosten van eiland IJselmonde om precies te zijn. Vergeefs, zijn botanische boek In het polderland - schetsen van het landschap en den plantengroei in de omstreken van Rotterdam zal pas in 1898 bij W. Versluys te Amsterdam verschijnen, als Wetenschappelijke Bijdragen opgehouden heeft te bestaan, evenals tijdelijk het blad An-archie dat Van der Voo vanaf 1896 voor Sterringa redigeerde.

In het polderland is het aardigste boek geschreven door een Nederlandse anarchist, dat ik ooit gelezen heb. Het is duidelijk dat Van der Voo met plezier en enige trots zijn inventarisatie van de flora van de omgeving van Rotterdam het licht heeft doen zien. Van de meeste planten geeft hij geen beschrijving die de onwetende verder brengt: het is ook echt een inventarisatie, waarvan hij de beperking wel inziet, maar die toch zeldzame vondsten weet te vermelden. Als een eenmans-jongeren-natuurstudiebond moet hij door de velden en langs wegen in de groene omgeving van Rotterdam hebben gelopen, de notities zijn gebaseerd op "botanische tochtjes in de jaren 1891-'93 ondernomen". Het zou interessant zijn de gegevens van Van der Voo te koppelen aan wat een inventarisatie nu zou opleveren. Het gebied dat hij beschrijft is intussen in hoge mate verstedelijkt, en de rust die uit de illustraties van J.C. Herm Heyenbrock spreekt is geheel verdwenen. Het noemen van opmerkelijke planten heeft zonder een dergelijke vergelijking, die buiten het bestek van dit artikel valt, geen zin.


In het boek zijn geen planten afgebeeld, alleen kijkjes in een rustig landschap, waarvan Van der Voo de geschiedenis poogt te reconstrueren. In de tijd, verstreken tussen zijn wandelingen en de uitgave van zijn boek, is de Buiten-Hillepolder weggegraven voor een vergrote Rijnhaven, wat tot verlies van de enige dan bekende vindplaats in West-Nederland van het blaaskruid (Utricularia vulgaris) geleid had, tot verdriet van Van der Voo. Hij is gestorven in 1965 en heeft dus, als hij zijn engagement ten aanzien van de natuur behouden heeft, nog heel wat meer te verwerken gekregen.

Want onbekommerd kan men het relaas van zijn wandelingen weer niet noemen - niet doordat hij voorziet wat er met de beschreven gebieden zal gebeuren, maar doordat de Natuur steeds als leermeesteres wordt opgevoerd. In zijn poly- of panthe�stische lofzangen op Moeder Natuur bereikt hij soms bijbelse hoogten. De ereprijs, waarvan de kroonblaadjes zo makkelijk uitvallen, vergelijkt hij met witgepleisterde graven. En: "Slechts het onderzoek der Natuur is in staat redeneerende menschen te bevredigen. Bij onze milde moeder Natuur slechts is plaats voor denkwezens, tot haar keere men steeds weder want bij haar all��n heerscht vrijheid." De studie der natuur werkt veredelend en beschavend en zorgt voor echte vrede.

Van der Voo toont zich nog wel eens geplaagd door het platte, onpo�tische dat hij allerwegen om zich heen bespeurt, en waartegen de ware natuurkennis helpt. Opmerkelijk, een eeuw later, klinkt zijn afschuw van de knotwilg. Hij noemt deze: mismaakt houtgewas (wat tenslotte klopt), ergerlijk, proza�sch, onbehagelijk, plat alledaagsch, wanschapen en gedrochtelijk. Het kon niet op met zijn hekel aan deze toen zo gewone verschijning in zijn polderland - een mensenmaaksel dat nu als natuurmonument-in-het-klein met grote moeite enigszins in stand gehouden wordt. Niets zo veranderlijk als de natuur en de visie hierop van de beschaafde mens - "zoo verandert alles staag door den tijd", zoals hij zelf berustend schreef over de teloorgang van de Buiten-Hillepolder en daarmee van het blaaskruid.


4. J.J. Hof: Natuurleven



De dankzij Ger Harmsen en Jannes Houkes enigszins bekende anarchistische "natuursporter" J.J. Hof werd in zijn eigen tijd wel verward met zijn naamgenoot die zich inzette voor het Fries, Jan Jelles. "Onze" J.J. heet echter Jan Jans en is twee jaar eerder geboren dan die andere, in 1870, in het Friese Lageduurswold weliswaar, maar strijder voor het Fries is hij niet geweest - de verwarring is verklaarbaar door de (in zijn geval extra begrijpelijke) gewoonte geen voornamen te vermelden. Volgens zijn biografen ergerde Hof zich als kweekschoolleerling zich tenslotte aan het stevige roken in zijn kring en stopte hij hiermee na het lezen van "een brochure van een levenshervormer over de vraag waarom wij ons bedwelmen". Deze kennismaking met Tolstoy deed Hof klaarblijkelijk kiezen voor het humanitarisme, dat hij trouw is gebleven. Hij heeft zich nooit met het christen-anarchisme ge�dentificeerd, al heeft hij hier steeds wel dicht bij gestaan.

Als onderwijzer te Giethoorn colporteerde hij samen met Tjerk Luitjes eind 1900 met een brochure "Algemeene werkstaking". Hof heeft zelf een brochure onder deze titel geschreven, die door Harmsen en Joukes gedateerd wordt op 1903. Dit is zijn enige "arbeidersbewegings"-achtige geschrift: "Eenmaal zal de moderne slaaf begrijpen dat hij alleen alles in handen heeft wat hij wil. En als hij dat begrepen heeft, zal geen macht ter wereld hem kunnen buigen. Uit is dan 't rijk van Mammon en Gezag! Gewerkt daarom voor de opheffing van allen loonarbeid! Gewerkt voor de heerlijke idee van: Algemeene werkstaking."

Maar zijn grote historische verdienste is de redactie van het blad Natuurleven, die hij van 1902 tot 1941 gevoerd heeft, een "populair, geïllustreerd weekblad voor natuurwetenschap, tuinbouw en bloementeelt." En het blad was inderdaad geïllustreerd en is wekelijks blijven verschijnen! Het werd regelmatig gevuld met uit andere bladen overgenomen artikelen, maar in het algemeen was Hof zelf de schrijver van het meeste wat in dit blad te lezen is. Een prestatie die slechts met grote bewondering bezien kan worden, en die hem als gedreven popularisator op één lijn plaatst met Thijsse, die ook steeds in de eerste plaats onderwijzer of leraar was.

In zeker opzicht - want met al zijn betoonde inzet voor de natuurstudie dient vastgesteld te worden dat Hof geen meeslepend nu nog toegankelijk schrijver was op de gebieden waarmee hij zich bezig heeft gehouden. In de eerste plaats populariseert hij andere schrijvers, zoals hij ook heel wat boeken heeft vertaald. Mogelijke eigen bijdragen aan de veldbiologie worden door zijn meestal afstandelijke stijl verhuld. Hij weet zijn humanitaire engagement op de achtergrond te houden, tenzij slechte behandeling van dieren daadwerkelijk aan de orde is. Vanaf 1916 tot het einde (officieel: 1920) redigeert hij ook nog Androcles - maandblad aan de belangen der dieren gewijd, en hij bleef medewerker aan de opvolger van dit blad, Dierenbescherming. Is het vanwege het humanitaire engagement dat de door hem zelf geschreven bijdragen aan de natuurstudie hoofdzakelijk gewijd zijn aan botanische onderwerpen, en zeker niet de meest tot de verbeelding sprekende: levermossen, varens, algen en mossen? In Een heel jaar in de natuur (Zutphen: W.J. Thieme & Cie., 1938) komen wel meermalen dieren en bloemplanten aan de orde. Ook verschijnt van zijn hand in 1926 Onderling hulpbetoon in de dierenwereld, een titel die duidelijk genoeg naar Kropotkin verwijst.

Zijn in alle opzichten bescheiden te noemen eigen levensschets in De roep der velden - zwerftochten naar de bronnen van vreugde en schoonheid (uitgegeven en geredigeerd door A.G. Schoonderbeek te Laren, 1927) vermeldt dat hij lezingen en cursussen met lichtbeelden geeft over natuurhistorische onderwpen, en dat hij door gesproken en geschreven woord in humanitaire richting werkt (p.61). Het kan geen toeval zijn dat zijn portretfoto in dit boek zijn boekenkast als duidelijke achtergrond heeft.

De ontwikkeling van de techniek volgt hij in Natuurleven en in losse geschriften als een trouw gelovige in de vooruitgang, die bijvoorbeeld een toename van vrijheid verwacht van het automobilisme, maar dergelijke uitingen uit de tijd van voor de Eerste Wereldoorlog kunnen wij met de mantel der liefde bedekken. De tegenstelling tot de roepende velden was nog niet te voorzien.

De vooruitgangsgedachte was voor Hof uit de natuur zelf te lezen: "De kleinste en laagst ontwikkelde, zoo goed als de hoogst georganiseerde levende wezens, de mensch zelf niet uitgezonderd, hebben een gemeenschappelijke levensbron. In de mate van ontwikkeling heerscht oneindige verscheidenheid, in het wezen der zaak echter een onmiskenbare eenheid. Dit trekt ons niet naar beneden; het houdt geen verlaging in van de hooge plaats die de 'heer der Schepping' inneemt in de groote natuur. Integendeel, het opent een verheffend uitzicht op nooit eindigenden vooruitgang, op een steeds verder gaande ontwikkeling van alle levenskrachten."

Geheel vrij van natuurlyriek of -mystiek was Hof toch ook niet. Eigenlijk mag men dit ook niet verwachten van iemand die in zijn jeugd voorgoed gegrepen was door de overweldigende stilte en het landschap van het Fochteloër veen. Het spreekt uit het stuk "Wondervol mysterie", aan het begin van de tweede jaargang van Natuurleven: "Steeds meer .. wenkt [den ware natuuronderzoeker] het Geheim der dingen met onweerstaanbare toovermacht, aan wier werking hij zich niet vermag te onttrekken. Het groote Mysterie van het Zijn, dat wij voelen in elk ding dat naast ons staat, hoe straalt het ons tegen met vurig licht, zonder dat wij nog de lichtbron zelve vermogen te aanschouwen. (...) Het Mysterie is de verheven zin van het Leven. Wij Zelf zijn de zin van het leven. (...) De boomen spreken van het Mysterie als ze zachtkens ruisen. De zee heeft altijd haar groote hart er vol van en de golven roepen, roepen gestadig."

Met Hof, die tot het einde van zijn leven toegewijd blijft aan de natuurstudie, zijn we overigens de grens van het ontwakend natuurbesef en van een belangrijke rol in het maatschappelijk leven in het algemeen van anarchisten in Nederland, ruim gepasseerd. Hof is overleden in 1953.

(Oorspronkelijke versie met verwijzingen in: Jaarboek Anarchisme 1997)

Friday, 10 July 2009

Felix Ortt - de man van de Nederlandse getijtafels


Aan het tientallig stelsel danken wij de neiging te herdenken op bepaalde ogenblikken. Honderd jaar kolonie te Blaricum, Ortt veertig jaar dood - maar het onderstaande wil een aanvulling zijn op een omissie bij de herdenking van tweehonderd jaar Rijkswaterstaat, en de rol die de anarchist Ortt hierbij speelde.

In Arnhem is een vegetarisch bejaardenhuis, dat in zijn naam, Felixoord, op een wat verscholen manier de herinnering levend houdt aan jhr. ir. Felix Louis Ortt (1866-1959). Het is de belangrijkste verwijzing in het Nederland van vandaag naar een lang en werkzaam leven, waar de inzet voor het vegetarisme maar een deel van was. Ortt is met even volle inzet actief geweest voor de vivisectiebestrijding, de dierenbescherming in het algemeen, het propageren van natuurgeneeswijze, als drankbestrijder, als humanitair pedagoog, als parapsycholoog en als popularisator van de nieuwe inzichten in de natuurwetenschap. Zijn De relativiteitstheorie van Einstein verklaard voor wiskundig niet-geschoolden heeft menige herdruk gehaald. Daarnaast was hij filosoof in het grensgebied van natuurwetenschap en theologie, ontwerper van een eigen stelsel ter verklaring van alle wereldverschijnselen, het pneumat-energetisch monisme, dat geen school gemaakt heeft. Hij is korte tijd actief geweest in de arbeidersbeweging, als voorstander van en betrokkene bij de beweging voor werken in zelfbeherende bedrijven die omstreeks de eeuwwisseling opkwam, Gemeenschappelijk Grondbezit. De in 1899 opgerichte kolonie van Blaricum, waar hij als drukker en uitgever werkte, had een voorbeeld van antikapitalistische organisatie moeten zijn en werd een spreekwoordelijke ramp: veel leden konden niet aan de hoge eisen voldoen, en in 1903 kwam het dronken gepeupel uit de omliggende dorpen de boel in brand steken.

De algemene noemer waaronder alle genoemde activiteiten van Ortt samengebracht kunnen worden is die van het christen-anarchisme. Tussen 1897 en 1907 was deze aanduiding gangbaar voor de stroming die hij representeerde. Zij koppelde radicaal-moderne theologische gedachten aan de geweldloosheid zoals Tolstoy die predikte met verwijzing naar de bergrede (tegenstanders toen en nu spreken gemakshalve van "tolstoyanisme" in plaats van christen-anarchisme). De individuele dienstweigering was een van de belangrijkste propagandapunten van de beweging. Zijn bekering tot deze stroming was voor Ortt aanleiding ontslag te nemen bij Rijkswaterstaat, dat onmiskenbaar een rol speelde bij de oorlogsvoorbereiding. Met zijn functie gaf hij ook zijn titel op. Het was het einde van een veelbelovende elfjarige loopbaan, die in veler ogen had kunnen uitlopen op een ministerspost. Of deze radicale breuk met de dienst een verklaring is voor het feit dat hij ongenoemd blijft in het onlangs verschenen Twee eeuwen Rijkswaterstaat valt niet te zeggen. De familie Ortt heeft vele ingenieurs bij Rijkswaterstaat geleverd, maar van slechts één kan gezegd worden dat hij het systeem voor het vaststellen van getijtafels heeft ontwikkeld, zoals dit negentig jaar in gebruik is gebleven: Felix Ortt. Zijn rol als waterstaatkundig ingenieur lijkt geheel overschaduwd te worden door het vele, hierboven aangeduid, wat hij later gedaan heeft.

Een lichte ironie van de geschiedenis kan men zien bij het noemen van de eerste publicatie van de pas afgestudeerde ingenieur: een inventarisatie van de kennis omtrent de paalworm, het weekdier dat vanoudsher een ernstige bedreiging voor houten zeeweringen vormde. Ook de effectieve bestrijding van de boorpissebed had Ortts speciale aandacht. Zijn tastbare bijdrage aan de vormgeving van Nederland, die een eeuw geleden in zijn geheel het werk van ingenieurs leek, is bescheiden. Onder zijn toezicht is de Proostwetering bij Maarssen verlegd terwille van het nieuw te graven Merwedekanaal. Als arrondissementsingenieur te Brielle beveelt hij de bosaanplant op Voorne en Goeree aan vanuit waterstaatkundig standpunt - het vastleggen van duinzand verbetert de zeewering -, maar op dit punt wordt hij terechtgewezen: de verantwoordelijkheid moest bij Staatsbosbeheer liggen, waterstaatkundige overwegingen mochten geen rol spelen (dat zou namelijk wel eens geld kunnen kosten). Zijn ontwerp voor een buitenduinse vissershaven voor Scheveningen haalde het niet.

Zijn grootste verdienste als waterstaatkundig ingenieur ligt in de methode voor het samenstellen van getijtafels, die hij zelf consequent de methode-De Bruijn bleef noemen, naar het hoofd van de afdeling van Rijkswaterstaat in Den Haag waar hij werkte, maar die eigenlijk met recht de methode-Ortt zou moeten heten. Hij formuleerde de wet waarin de invloed van wind en barometerstand op de getijbeweging werd vastgesteld (het effect van opwaaiing), die internationaal lof kreeg. De opstelling van de Nederlandse getijtafels was gebaseerd op de culminatiemethode, waarbij rekening wordt gehouden met het hoogste punt van de maan ten opzichte van de aarde, de hoek die de maan met de evenaar maakt (maandeclinatie) en de maanparallax (de maat voor de afstand tussen maan en aarde). In de vaststelling van de getijtafels dient rekening gehouden te worden met de dubbele of halfdaagse golven, een eendaags getij, vierdaagse golven en getijden over lange perioden, die - afhankelijk van het seizoen - samenhangen met de astronomische variabelen. Uitgaande van de metingen op vijf verschillende punten aan de kust konden zo hoog- en laagwaterstanden voorspeld worden. Ortts berekeningen hebben vele tientallen jaren dienst gedaan en zijn nog in beslag genomen door de Duitsers, die het getij geheim wilden houden.

Sinds 1985 worden de getijtafels berekend aan de hand van de harmonische methode met nog veel meer variabelen, waarbij de wisselingen per uur worden voorspeld met behulp van computers. Na zijn ontslag bij de dienst heeft Ortt nog meegewerkt aan een gids voor badgasten van de Zandvoortse arts Varekamp. In 1923 ging men niet zomaar ongedocumenteerd in zee zwemmen...

(Oorspronkelijk voor: Publiek Domein, serie Erflaters; ook in: Jaarboek Anarchisme 1999).

Monday, 29 June 2009

MYSTIEK OF ACTIE - anarchistische dilemma's rond 1906

Na de spoorwegstakingen van 1903 ebt het revolutionair elan weg uit de Nederlandse arbeidersbeweging - naar wij nu kunnen vaststellen, voorgoed. De sociaal-democratie krijgt op politiek niveau, en in de vorm van de "moderne vakbeweging", de massa achter zich. Bij de anarchisten wint de gedachte veld dat iedere vorm van organisatie in strijd is met het beginsel, en dat hiertoe dus ook geen enkele poging meer ondernomen moet worden. "De massa" wordt bereikt op kwesties die men nu "deelterreinen" zal noemen, en voor enige tijd nog binnen de vakbeweging - tot "de modernen" (de sociaal-democraten dus) ook hier het pleit winnen. Het christen-anarchisme heeft naast het trauma van de stakingsbeweging het treurige verloop van de kolonie in Blaricum te verwerken. Hoe handhaaft men een beweging op grond van gezindheid bij "revolutionair laagtij"? Het anti-organisatorische aspect wordt bij de christen-anarchisten versterkt door het element van mystiek dat per definitie individueel gericht is. Ascetisme - dat men alleen kan vragen van mensen die iets op te geven hebben - is omstreeks 1906 al niet meer belangrijk. De treurige ontknoping van wat op een interne strijd lijkt doet voor bij de Nederlandse "beweging" betrokken mensen waarschijnlijk herkenbaar aan, nog steeds...

"Met slampampers het socialisme in" - actie, zoals voorgestaan door Jan Boezeroen

In 1905 komt binnen de christen-anarchistische beweging de behoefte om met propaganda naar buiten te treden duidelijk naar voren. Onder de arbeidersklasse heeft de stroming geen aanhang - eigenlijk zijn er maar enkele woordvoerders (mannen, inderdaad) van proletarische afkomst. In de kring rond het blad Vrede wordt er niet eensgezind over gedacht: het voor elkaar werken in eigen zelfbeherende bedrijven, onder de vlag van Gemeenschappelijk Grondbezit, is voor de meesten voldoende in de geest van het christen-anarchisme, en verder is er het Federatieve Fonds dat zijn solidariteitsuitkeringen verleent. Wat willen de arbeiders anders? Men schat het aantal mensen dat in die tijd Vrede leest op tweeduizend, de oplage zal allicht lager zijn geweest.
Het is niet geheel duidelijk met welke bedoeling Jac. van Rees een humanitair-anarchistische propagandaclub van de grond wil krijgen. De beweging moet duidelijker haar anarchistische karakter tot uitdrukking brengen, is zijn betoog, en zo de arbeiders bereiken. Felix Ortt beschouwt zich bij voorbaat als niet-behorend tot deze richting. Schijnbaar enthousiast werken andere bekende mensen uit de kring wel mee aan het opzetten van de vereniging, maar meer dan enkele tientallen leden komen er niet. En als Van Rees laat weten dat de humanitair-anarchistische propaganda los moet staan van Vrede verdwijnen er alleen nog maar mensen. Het propagandablad voor humanitair anarchisme Ontwaakt! verschijnt van september 1905 tot juni 1907. In de redactie is ��n van de schaarse arbeiders in de beweging te vinden, C.L. Treffers, verder wekt het blad de indruk vooral de kring rond Van Rees te vertegenwoordigen. De oplage is nooit groter dan enkele honderden, en of de aftrek groot genoeg is geweest is niet duidelijk. Een cent per exemplaar - aan de prijs kan het niet gelegen hebben. In het laatste nummer is er sprake van fusie met De Vrije Communist, maar ook met dit blad ging het niet goed. Waarschijnlijk kan de kring rond Ontwaakt! gezien worden als de aanhang van de charismatische figuur, die Van Rees geweest moet zijn. Een kort hierna naar het goddeloze anarchisme overgestapte redacteur als W. Hamburger laat in zijn latere natrappen tegen "de beweging" vooral blijken niet veel van het christen-anarchisme begrepen te hebben - wat de indruk versterkt dat Ontwaakt! eigenlijk vooral om Van Rees draaide.

Voor de meeste christen-anarchisten moet deze inmiddels een genante medestrijder zijn geworden. Het uitdrukkelijk streven naar heiligheid, waartoe het "reine leven" behoorde, kan licht doorslaan naar de schijnheiligheid, maar het valt wel aan te nemen dat de meesten zich inspanden voor dit streven. Van Rees had openlijk een minnares naast zijn echtgenote, wat hem wel menselijk (met een kleine m, want een waar Mensch was hij daardoor juist niet...), maar niet per se sympathiek en in ieder geval ongeloofwaardig maakte. En dus wordt de propaganda voor het christen-anarchisme direct na zijn uitval tegen het blad Vrede in juli 1905 apart ter hand genomen, waarbij het initiatief uitging van de Rotterdamse havenarbeider S. van den Berg. Onder de naam Jan Boezeroen was hij in het blad Vrede (naast Treffers) de stem uit de arbeidersklasse. Anderhalf jaar lang is er gewerkt om plaatselijke afdelingen van "de beweging" van de grond te krijgen, de Propagandagroepen voor Algemeene Verbroedering. In Den Haag en Rotterdam, de twee steden waar Van den Berg zich het meest inspande, was de belangstelling in elk geval al niet groot genoeg om van een organisatie in opbouw te kunnen spreken. Als Van den Berg het opgeeft, eind 1906, is het ook meteen voorbij met "de beweging".

In Jan Boezeroen / S. van den Berg heeft, voorzover ik nu weet, Nederland de unieke combinatie gehad van christen-anarchist en syndicalist, christen-anarcho-syndicalist dus. Als havenarbeider (graancontroleur soms, maar ook af en toe ingeschreven als kantoorbediende) was hij een van de weinigen in de kring van het christen-anarchisme die wist waarover hij het had als het om werkloosheid, lange werktijden en lage lonen ging. Hij had het realistische standpunt, bij de christen-anarchisten verder even afwezig als bij de sociaal-democraten, dat de klassenstrijd niet iets is wat "gepredikt" wordt, maar dat hoe dan ook aan de gang is - een inzicht dat links en rechts nog steeds zo goed als afwezig is. Het maakte hem in "eigen kring" niet populair.

Van den Berg is na de stakingsbeweging van 1903 in de groep rond Vrede terechtgekomen. Het is mogelijk dat hij behoorde tot de slachtoffers van de ontslaggolf die de verloren stakingen met zich meebracht. Hij laat in artikelen duidelijk blijken uit eigen ondervinding te weten wat gedwongen werkloosheid is, en dan gaat het niet alleen om de destijds in de haven veel voorkomende "blinde weken" waarin in het geheel geen geld binnenkwam bij sommige arbeiders. Men moest zich maar zien te redden dan, en de vrouw des huizes toonde zich dan de bekwame econoom. Hij is van joodse afkomst en vermeldt (met naar het lijkt enige schaamte) van huis uit Jiddisj te beheersen. Hij beheerst ook de gangbare vreemde talen, wat hem later als vakbondsbestuurder met onvermijdelijk veel internationale contacten goed van pas komt. Er waren meer mensen van joodse achtergrond in de christen-anarchistische beweging: op grond alleen al van de modern-hervormde theologische inzichten zag men Jezus niet als de letterlijke zoon van God, wat een belangrijk beletsel wegnam. Geweldloosheid en afkeer van bloedstorting zag Van den Berg als deel van de joodse traditie, wat goed aansloot bij het christen-anarchistische streven. In de Jezus van de evangeli�n herkende hij een anarchist, "de grote liefdesanarchist van Nazareth", en hij beklemtoonde dat het socialisme niet het heil van een bepaalde klasse beoogde maar het geluk van de gehele mensheid, en daarom is het in zijn aard en wezen godsdienstig.

Het verschil tussen sociaal-democraten en anarchisten, stelt hij in een polemische bijdrage, gericht tegen een van de zalvende dominees van de sociaal-democratische Blijde Wereld, is dat de laatsten alleen gezag aanvaarden in overeenstemming met hun eigen geweten, en geen gezag voortkomend uit opgelegde machtsmiddelen (in het Frans: het verschil tussen puissance en pouvoir). De betrokken dominee, Van der Hoeve, komt met het bekende verhaal aan over de treffende overeenkomst tussen liberalisme en anarchisme, alleen zouden de anarchisten de dijken niet willen onderhouden en de brandweer willen afschaffen: staatsonderdrukking! Van den Berg schetst uit eigen ondervinding hoe sociaal-democratisch ingestelde vakbonden staken om niet of anders georganiseerde arbeiders uit te sluiten: sociaal-democraten voeren liefst strijd tegen medearbeiders in plaats van tegen het patronaat. De bond die dit bij uitstek toepaste, de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond, stond model voor de "moderne" vakcentrale. Het scherp en scherpzinnig aanvallen van de sociaal-democratie, die van begin af aan socialistische strevingen in de weg heeft gelopen, beviel de spraakmakende christen-anarchisten echter niet. Onder het motto van algemene verbroedering paste geen confrontatie, en in het algemeen geen harde afwijzing van de kapitalistenklasse ten gunste van de arbeiders. "Ik zou wel eens willen weten wat onder het begrip 'arbeidersbeweging' en 'proletariaat' te verstaan valt," vraagt Van Mierop in 1906 aan Van den Berg, alsof hij dit nooit geweten heeft. Van den Berg verwijt hem daarop verburgerlijkt te zijn, Van Mierop besluit - alvorens ertoe over te gaan de beweging dood te verklaren - dat de christen-anarchistische beweging geestelijk is, niet werelds. Een boodschap voor de arbeidersklasse had zij dus niet, Van den Berg werd in zijn herhaalde oproepen de arbeiders te willen bereiken met "de boodschap" grof in de steek gelaten. Voordat hij, door bij drukkerij "Vrede" te vertrekken, de eer aan zichzelf houdt, december 1906, is hij echter secretaris van het stakingscomit� geweest dat in 1905 de elevatoren uit de Rotterdamse haven wilde weren.

De graanelevators zouden heel wat havenarbeiders tot werkloosheid veroordelen - de oude beroepen van korenweger, -meter en controleur zouden helemaal verdwijnen, en het lossen van schepen zou veel sneller in zijn werk gaan. H. Kolthek Jr. vond het reactionair zich tegen de invoering van machines te verzetten: werktijdverkorting en loonsverhoging zouden de gevolgen moeten verzachten, en verder gold het neem- en eetrecht. Van den Berg was van dit laatste geen tegenstander (nog iets wat niet goed kon vallen bij de Vrede-beweging), maar vond dat er geen goede argumenten waren de machines in te voeren terwijl de arbeiders hier geen zeggenschap over hadden. Het "hier de elevators!", wat de arbeiders volgens Domela Nieuwenhuis zouden moeten roepen, vond hij loze praat. Maar Van den Bergs betoog tegen de sociaal-democraten, die de komst van de machines onvermijdelijk achtten en een sterke organisatie (een sociaal-democratische natuurlijk) wilden opbouwen om te voorkomen dat mensen brodeloos werden, is het sterkst, waarbij hij de ongerijmdheden van hun voorman, Bergmeijer, fraai weergeeft. "Overigens is de voorstelling des heeren Bergmeijer van den ontwikkelingsgang der kapitalistische naar een socialistische maatschappij allerkoddigst: in alle takken van industrie en van het transportwezen volslagen werkloosheid door de invoering van steeds meer machines, de massa der proletaren aan den vooravond van het socialisme bestaat uit lanterfanters, baliekluivers en slampampers en dan als door een tooverstaf aangeraakt, verandert de samenleving, door den wasdom der Partij, in een socialistische."

De zelfstandige Elevator-maatschappij werd als broodrover van de arbeiders afgeschilderd. Van den Berg wees er op dat er onder andere een wijnhandelaar aandeelhouder in deze maatschappij was, en er zou wel meer vanuit christen-anarchistisch oogpunt onverantwoord ondernemerdom achter de namen der eigenaren schuilgaan. Dit was lang niet onmogelijk, maar het was geen sterk overtuigend argument tegen de Elevatormaatschapppij. Veel overtuigender, ook op een afstand van ruim negentig jaar, is zijn betoog dat automatisering pas zinvol zou zijn in een situatie waarin de arbeiders zelf de beschikking over de productiemiddelen hebben, niet omgekeerd. Het invoeren van deze machines is immers geen natuurproces, zoals onder andere de sociaal-democraten het willen voorstellen: het is een bewust gestuurde en gewilde ontwikkeling. Het gaat hier om de gelddorst van het kapitaal, dat zijn grijpklauwen steeds wijder uitslaat en dit doet onder de leugenachtige term "vooruitgang". De geest van verzet tegen onrecht, uitbuiting en onderdrukking moet verder aangewakkerd worden, zodat de arbeiders beseffen dat zij geen automaten, geen objecten voortbewogen door "blinde productiekrachten" zijn - dan zouden zij reeds nu in staat zijn het kapitalisme terug te dringen.

Als op 30 oktober 1905 de elevator definitief in werking wordt gesteld wordt al spoedig tot staking besloten door de korenwegers, waardoor de lossing van de schepen stil komt te liggen (4 november 1905). De stakers worden in die dagen ook nog wel een handje geholpen door zware mist, die het schepen soms moeilijk maakte binnen te lopen. De staking wordt gesteund door alle vakverenigingen behalve de katholieke, waarvan de leden echter wel degelijk meestaakten. Ook in syndicalistische kringen werd echter de eis "weg met de elevators!" als "middeleeuws" afgedaan. Voordat twijfel of scheuring het kamp der arbeiders kon bereiken lieten de Duitse korenimporteurs weten geen graan gelost via elevators te willen afnemen; de vrees dat voor de winter het koren niet op tijd binnen zou zijn zal de hoofdrol gespeeld hebben. Na twee weken was de staking door deze steun uit onverwachte hoek afgelopen - de elevators zouden voorlopig, zeker voor een half jaar, aan de kant gaan. Maar van uitstel is geen afstel gekomen.

Van den Berg verdedigde op christen-anarchistische wijze in feite de "moral economy" van de toenmalige havenarbeiders, waartoe hij zelf behoorde - als voorman van de vakbeweging stond hij op dit punt echter alleen, en steun uit eigen kring kreeg hij zoals gezegd ook niet. Enkele jaren later is hij betrokken bij de grote zeeliedenstaking van 1911, dan als secretaris van de Nationale Federatie van Transportarbeiders. Pas dan vindt in de kringen van de havenarbeidersbond de scheiding tussen "modernen" en "anarchisten" plaats, door wat zelfs Vliegen in zijn partijhagiografie Die onze kracht ontwaken deed droogjes de late roeping van Johan Brautigam noemt. Deze was oorspronkelijk voorman van de Algemeene Nederlandsche Zeemansbond, en plotseling als "bekeerd sociaal-democraat" oprichter van een "moderne" yellow union, "De Volharding" - met medeneming van kas en kantoor van het plaatselijk syndicaat in Rotterdam (1909). Voor dit laatste staken Van den Berg en zijn kameraden nog een stokje, maar de scheiding was onvermijdelijk, bitter, en de afloop is bekend. Wellicht is Van den Berg - na verhuizing als bondsbestuurder naar Amsterdam, waar hij ook redacteur is geweest van De Havenarbeider - vervolgens alsnog ingegaan op de uitnodiging om de syndicalistische beweging in de Verenigde Staten te versterken. Ongelijk zou hij niet gehad hebben met een dergelijke stap.

De mystieke ader van Louis Bähler
"Er loopt door onze Beweging onmiskenbaar een mystieke ader," stelt de mystiekste prominente Nederlandse christen-anarchist, Louis Bähler, in 1906. In 1903 had Landauer zijn keuze uit het werk van Meister Eckhart het licht doen zien, in Engeland was de christen-anarchist W.P. Swainson een reeks over christelijke mystieken begonnen, "onze beweging" kan men hier dus als "internationaal" lezen, maar het is het de vraag of Bähler daar nog aan dacht. Enthousiast kondigde hij een volledige Nederlandse vertaling van de reeks van Swainson aan, maar verder dan een eerste deeltje over Franciscus van Assisi is Uitgeversvereniging "Vrede" nooit gekomen. Bähler kondigt de reeks aan met een lofzang op Franciscus, een van de heel weinigen uit de geschiedenis die licht verspreiden, aan wie geen donkere kant, geen schaduwzijde is.

In 1908 ontdekt Bähler Het inwendige woord van J.H. Maronier, een boek uit 1890, dat de mystieke tendens in het protestantisme vanaf de tijd van Luther tot de negentiende eeuw volgt. Door dit boek maakt hij kennis met Denck, Schwenkfeld en Franck - die hij als eeuwen te vroeg geboren geestverwanten herkent. De ontdekking komt na zijn redacteurschap van een reeks heruitgegeven mystieken.

Met deze serie manifesteert hij zich duidelijk (opnieuw) als representant van een traditie binnen of naast de Hervormde Kerk, die hij nog steeds als predikant diende; en dit was voor hem vermoedelijk nodig, doordat hij in dezelfde tijd, 1905, aanleiding was tot de oprichting van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk - een scheuring, zonder breuk weliswaar, maar daarom niet minder ingrijpend. Deze frontvorming op de rechterflank van de Kerk was een gevolg van Bählers uitgave van een oproep tot boeddhistische (lamaïstische) prediking onder, en bekering van, de verdorven Europese christenen, een falsificatie van de Chief-Seattle-soort, met grote gevolgen. Er was Bähler nog steeds veel aan gelegen zich uit te spreken als christen op een ogenblik waarop hij er op aangekeken werd meer voor het boeddhisme te voelen.

Alvorens de uitingen van mystiek die de Nederlandse christen-anarchisten het licht deden zien te bespreken, zal ik moeten uitleggen wat "mystiek" is - een schijnbaar onmogelijke taak in kort bestek, en toch moet het kunnen. Eerst dient gezegd te worden wat het niet is: het heeft slechts een etymologische band met "mysterie" en "mysterieus", er zijn geen geheimen aan verbonden. De kernachtigste omschrijving die ik ken is van André Zegveld: mystiek is de ervaringsmatige kennis van God. Nu maken, zei Tertullianus (2de-3de eeuw) al, de eenvoudigen het grootste deel van de gelovigen uit - en laat ik hier onmiddellijk toevoegen: ook van de ongelovigen -, en eenvoudigen hebben behoefte aan feiten (of aan de ontkenning ervan). Maar helaas, God is geen feit, God is zelfs niet - althans, Hij is alleen Zichzelf -, en het is nog maar de vraag of Hij (de taal schiet tekort, ik houd mij maar aan de conventie - maar Hij is dus ook geen Hij) het zijn is. Even treffend zou men kunnen zeggen dat de ontmoeting met God de ontmoeting met het Niets is, een hedendaags werkje dat tracht twintigste-eeuwse mystieken te presenteren heet dan ook Tot op de bodem van het niets. Mystici als Eckhart en Boehme schrijven dat wij alleen kunnen vaststellen wat God niet is, men noemt dit negatieve theologie: God is het geheel andere, altijd het andere dan wat men zich voorstelt. Van de ervaring is verslag te doen, maar men kan deze niet nastreven, en men kan haar, zegt Zegveld, zeker niet hebben. Dit laatste lijkt te verwijzen naar wat Erich Fromm, een contemporain Eckhart-adept, betoogt over het verschil tussen hebben en zijn - de mystieke ervaring is een kwestie van zijn, waarbij het besef van het niet-zijn gevoegd kan worden. Voor wie dit onbegrijpelijk vindt zal het niet duidelijker uit te leggen zijn - en het begrijpen is de mystieke ervaring zelf. Men kan dit trouwens over allerlei ervaringen vaststellen.

Mystiek is niet gebonden aan het christendom, hoeveel christelijke mystieken er ook zijn. De filosofie van Plato, de ideeï¿1⁄2nleer met name, is het oudste schriftelijke verslag van mystiek in de Europese cultuur. De schriftelijke getuigenissen van mystiek van andere godsdiensten (jodendom, islam, hindoeï¿1⁄2sme enz.) of niet-Europese filosofie (Lao Zi, altijd genoemd in historische overzichten van het anarchisme en veelgeciteerd door de christen-anarchisten) doen het goed in de kitschige sfeer van de markt voor oppervlakkige belevinkjes, helaas - tussen dit hevig gewarrel zal men ze kunnen aantreffen, naast sommige christelijke die als "verboden" of iets dergelijks worden gepresenteerd: Boehme bijvoorbeeld is al in een vroeg stadium geannexeerd door de sekte der Rozekruisers. Wie kennis wil nemen van dit alles moet in meer dan een zin het diepe in...

Het oneindige kan alleen benaderd worden, nooit bereikt - dit is elementaire wiskunde. Niet geheel terzijde kan hier de merkwaardige inconsequentie van Stephen Hawking vermeld worden, die het nog mee hoopt te maken het begin van de tijd waar te nemen, en daarbij God als het ware bij de scheppingsdaad te betrappen (ook wie bijna niets van Het heelal begrepen heeft zal toch zeker dit zijn opgevallen). Hawking hoopt op een mystieke ervaring - maar misschien is die hoop de ervaring al. Een andere manier om de mystieke ervaring aan te duiden is de eenvoudige ontdekking van geloof, de confrontatie met "het koninkrijk Gods dat binnen u" is (Lk. 17:21). Wie zich iets probeert voor te stellen bij het oneindige zal, aangegrepen, vanzelf bij het eigen "ik" belanden.

Vanuit mystiek oogpunt kan geloof dus niet om het aannemen van een doorverteld verhaal gaan, maar om het vernemen van het "inwendig woord", dat hoger staat dan enig door anderen geschreven of gesproken woord - zoals de bijbel, hoe geïnspireerd deze ook meestal is. Bähler vindt het een geluk dat er zoveel tegenstrijdige uitspraken in de bijbel staan, zodat individualiteit en christelijk geloof met elkaar verenigd kunnen blijven. De inwendige gebondenheid waarborgt geestelijke vrijheid: het eigen geweten gaat boven iedere wet of letter - dit is de basis van het anarchisme in het algemeen, religieus of niet. En hiermee zijn wij in ieder geval terug bij de mystieke ader die door het christen-anarchisme loopt.

Met de reeks Geschriften over het Ingekeerde Leven is geen groot publiek bereikt, wat ook niet de bedoeling was. Bij de inleiding van de reeks kondigt Bähler aan dat het geschriften zullen zijn uit "verschillende tijden, van verschillende volken afkomstig, aan verschillende godsdienststelsels verwant." Het eerste deel was een catechismus over het inwendige woord, geschreven door Johannes Tennhard in 1711, Onderwijzing door het Inwendige Woord Gods. Opmerkelijk genoeg licht de schrijver alle antwoorden toe aan de hand van bijbelplaatsen - de goedkeuring voor het inwendige woord, dat aan de bijbel vooraf gaat, wordt dus gezocht bij het uitwendige woord. Het tweede deel was Over de tegenwoordigheid Gods en de overgave aan Zijne voorzienigheid van Johannes Berniï¿1⁄2res de Louvigni, naar de Duitsche (=Nederlandse) overzetting van 1726 en 1727 door Gerrit Tersteegen, hertaald door Bï¿1⁄2hler. Een duidelijker getuigenis van een ascetisch ingestelde katholiek (voorzover ik heb begrepen) - enkele hoofdstuktitels moeten volstaan om een beeld te geven: "De tegenwoordigheid Gods kan men overal hebben", "God is alles, buiten Hem is niets" en "De geheele overgave aan God is de hemel op aarde". Het derde deel was De vruchtbaar makende wijnstok Christus door Johannes Teellinck, evangeliedienaar te Kampen, in den jare 1666. Enkele kernpunten uit dit geschrift: Christus kan soms in de ziel vertoeven, zonder dat deze het weet; de genade van deze aanwezigheid is niet afhankelijk van 's mensen wil, maar is juist de werking van God Zelf. De strekking van het boek is uitgesproken anti-rooms, en het is het laatste in de als groot en gevarieerd aangekondigde reeks.

In Vrede worden, in de tijd dat het reeksje verscheen, met instemming fragmenten van en beschouwingen over de Imitatio Christi van Thomas van Kempen geplaatst. Hiermee leek echter de aandacht voor de mystiek, zeker de christelijke traditie, in Vrede ten einde. De tijdloosheid van het thema - de genoemde werkjes zouden op ieder ogenblik heruitgegeven kunnen worden - werkte in het nadeel van wat ik nu maar vrijmoedig de degelijke mystiek noem. Theosofisch aandoende stukken over "ware Menschwording" lagen meer in de lijn. Bähler, die sinds begin 1906 de redactie had gevoerd, had al na een jaar het nakijken; de Geschriften over het Ingekeerde Leven verschijnen in 1907 en 1908. Uitgeversvereeniging Vrede, oftewel Lod. van Mierop, Truus Mulder en Felix Ortt, nam vanaf begin 1907 de redactie van Vrede over en verklaarde het christen-anarchisme en de Vrede-beweging voor spoorloos verdwenen. "Oef! 't is of er een pak van mijn hart is, of ik wel honderd pond lichter ben geworden," schrijft Ortt. In het daaropvolgende nummer beschrijft hij de kwelling die de opgedrongen identificatie met "geestverwanten" was gaan betekenen, in niet malse bewoordingen: een ontmoeting met "geestverwanten" was van iets om verheugd over te zijn iets waar men tegen opzag, een bron van wantrouwen, geworden: "Het was een verademing, hier of daar in een moeilijk bereikbaar oord een poos veilig te zijn voor een 'geestverwant'". Het klinkt wel als een herkenbare klacht. Ook deze anarchistische beweging kon het stadium van grote verwachtingen en de onvermijdelijke terugslag niet overleven. Bïähler ontzegde Ortt het recht het christen-anarchisme dood te verklaren, "over zichzelven mag Ortt het doodvonnis strijken, niet over anderen. Zijn zelfmoord is al erg genoeg." Bähler bleef christen-anarchist; de anderen antwoordden hierop dat zij slechts de naam hadden afgeschud, niet het streven.

Dit was ongetwijfeld oprecht gemeend. Als mystiek en activisme met elkaar te verenigen zijn (het is niet goed te bedenken waarom zij elkaar zouden uitsluiten) is dit in de Nederlandse christen-anarchistische praktijk niet tot uiting gekomen. Bähler zal als het er op aankomt weer een belangrijk initiatief nemen: het Dienstweigeringsmanifest van 1915, de opvallendste en laatste uiting van georganiseerd christen-anarchisme in deze eeuw. Zonder dat hij afstand doet van zijn gezindheid komt Bähler wel in theosofische kringen terecht, en nog weer later wordt zijn vrouw wethouder, voor de sociaal-democraten. Deze beweging (al mocht die niet zo heten), die individuele bekering beoogde, stond of viel met de enkele "belangrijke" individuen die haar belichaamden. Ook dit is een uit de geschiedenis van het Nederlandse anarchisme bekend trekje, merkwaardig misschien, maar niettemin treffend wáár.