Tuesday, 4 August 2009

"Bij haar alléén heerscht vrijheid!" - Nederlandse anarchisten en het ontwakend natuurbesef rond 1900

Omstreeks de vorige eeuwwisseling ontwaakte het natuurbesef in tamelijk brede kring in de geïndustrialiseerde wereld, en dus ook in Nederland. De interesse voor alles wat leeft en groeit, het streven tot behoud van gebieden die "natuurmonumenten" genoemd worden en het zich verdiepen in wat een natuurlijke levenswijze zou kunnen zijn komen zeker niet toevallig in die tijd op deze plaats naar voren. Of men nu zelf voor levensonderhoud afhankelijk was van de opkomende industrie of niet, steeds minder mensen woonden op wat in Nederland het platteland heet. Het uit het zicht verdwijnen van een "groene" omgeving bracht sommigen op het idee dat het zelf spitten in de grond en het verbouwen van gewassen ongeveer neerkwam op "terug naar de natuur" gaan - een misverstand dat in de meeste gevallen gedoemd was op teleurstelling uit te lopen.

De natuursport, het toegeven aan de roep der velden, was oorspronkelijk wel een aangelegenheid van "heeren", de bourgeoisie, maar het is ongetwijfeld vooral de verdienste van Heimans en Thijsse geweest dat ook de volksklassen in bredere zin oog hebben gekregen voor de natuur. Parallel aan de arbeidersbeweging ontstonden wandel- en studieclubs, veelal van sociaal-democratische signatuur. Het NIVON met zijn natuurvriendenhuizen is hiervan een nog voortbestaand getuigenis. En in het algemeen zullen mensen ter linkerzijde van de sociaal-democratie zich hierbij hebben aangesloten. Hebben anarchisten in Nederland bijgedragen aan het ontwakend natuurbesef? Het antwoord kan bevestigend luiden, er dient alleen aan toegevoegd te worden dat zij een enigszins aparte rol hebben gespeeld.

"Onbekommerd" was de lijfspreuk van Jac. P. Thijsse - hij had wel oog voor wat er mis was of mis kon gaan in de verhouding tussen mens enerzijds en dier, plant en landschap anderzijds, maar hij verhaalt toch steeds, uitnodigend tot navolging, van wat er aan interessants te zien en te beleven is. Dit geldt uiteraard ook voor E. Heimans, en voor een nu vergeten schrijver als S. Leefmans, wiens gebundelde stukjes uit Het Volk nog steeds uitnodigen tot zelf kijken, in navolging van de schrijver (voorzover er nog iets te kijken valt). De anarchisten nu zijn aanzienlijk minder persoonlijk-verhalend. Zij geven liever een wetenschappelijk onderbouwd betoog of hebben een humanitaire boodschap: men moet dier (en plant) goed behandelen. Verwondering en beschouwing lijken bij alle bekommernis juist te bezwijken. Laten wij vier van deze anarchistische pioniers nader bekijken.


1. Louis A. Bähler: "Lieve hond! lieve hond!"



September 1997 - de schrijver van deze regelen fietst in de Gaeltacht, ergens aan de Ierse westkust. Hij ziet een eindje in zee een kop boven water, waaronder duidelijk een dierenlijf voortzwemt. Een hond? Maar er duiken meer koppen op in de wijde omgeving, het moeten dus zeezoogdieren zijn. Grijze zeehonden, een stuk of zes, die zich in een baai bij afnemend getij tot vlak bij het strand wagen. Een eerste ontmoeting met deze dieren in het wild, en het is en blijft ook achteraf een ontroerende ervaring. De zeehond die het dichtst bij het strand zwemt kijkt de schrijver (mag je het zo zeggen? het lijkt in ieder geval zo) nieuwsgierig aan. Het dier demonstreert hoe goedgekozen de Nederlandse naam zeehond is. Later op de dag, als het echt eb is, ligt het gezelschap tevreden snurkend en snuivend op de plaat in de baai, zonder aandacht aan grote landdieren te schenken.

Ontroering, een ander woord kan ik niet gebruiken, en tegelijkertijd weet ik (en wist ik bij de ontmoeting) het waarnemen van deze zeehonden geladen met alle verhalen over zeehonden die men als mens anno 1997 meedraagt: over de selkie die de ziel van een jonggestorven kind overneemt; de massaslachting van jonge zeehonden, uitgebreid vertoond op televisie eind jaren zestig, en daarmee de aanleiding tot het oprichten van Greenpeace; de spreekwoordelijke aaibaarheid in combinatie met zieligheid, die tot in maanblaffers- en ultrarechtse kringen geëxploiteerd wordt en die aanleiding geeft tot scepsis - en toch... Tenslotte hebben de zeehonden (mogen wij aannemen) geen last van alles wat de ontroering bij zo'n ontmoeting in de weg zou kunnen staan.

Van 1895 tot 1902 staat de anarchistische dominee Louis A. Bähler op Schiermonnikoog. Zijn anarchisme, pantheïsme en sympathie voor het boeddhisme worden door de gemeente zeker geaccepteerd. Dominee is een beetje een rare, maar dat is op dit Friese eiland geen bezwaar. In een van de eerste nummers van het blad Dierenbescherming beschrijft hij hoe hij ruim twintig jaar eerder zijn eerste ontmoeting met een zeehond had, aan de westkant van het eiland: "Onze blikken drongen in elkander. Ik zag meer dan een dier, ik kon mij verbeelden, een soort mensch te zien. Neen, ik zag niets dan eene ziel. Maar de zeehond blafte niet, maakte geen enkel geluid of gebaar van afweer of aanval. Hij deed niets dan mij aankijken. En ik - "Lieve hond!" vleide ik. "Lieve hond! Lieve hond!" (...) "Lieve hond!" schreide ik, en al mijn leed over het leed, het dier door menschen aangedaan, barstte uit mij los."

Onbekommerd is niet direct wat men van Bähler en zijn confrontaties met zeehonden kan zeggen. In één geval moet hij de andere kant opkijken om niet te zien hoe een jong levend gevild wordt, tijdens een uitstapje naar Rottumeroog. Naar aanleiding hiervan vermeldt hij, "dat alle genot van dat Rottumer reisje mij bedorven is. Het is met bloed bevlekt. Want ik kan nu niet aan dat reisje terugdenken of ik zie elk herinneringsbeeld daarvan zich purper kleuren door dat tappelende bloed." Liever, kan men concluderen, had Bähler wel onbekommerd op Rottum rondgelopen, zodat men ook weer niet kan zeggen dat hij echt alle zeehondenleed steeds meetorste. Het genoegen van de natuursport wordt door de humanitaire bewogenheid bedorven, maar merkwaardigerwijze hebben de zeehonden toch een streepje voor op hun prooidieren, de vissen. Want dat Bähler op zijn tocht heen en terug over het Wad naar Rottum geen enkele vissersboot gezien zou hebben lijkt mij onwaarschijnlijk. Een deel van zijn Schiermonnikoger gemeente was trouwens visser. Bähler lijkt vooral pionier wat betreft de sensibilisering ten aanzien van de aaibare zeehond - een proces dat geëindigd is met de huidige consensus over de ongepastheid zeehonden af te maken voor hun bont of als voedselconcurrent van de mens (viseter). Te laat, maar zo lijkt het meestal te gaan.


2. Felix Ortt: grindwegen en heide



Jonkheer Felix Louis Ortt komt uit een familie waarin een loopbaan bij Rijkswaterstaat haast vanzelf lijkt te spreken, en de eerste 33 jaar van zijn leven treedt hij meer dan waardig in de sporen van onder anderen zijn vader. Hij studeert af op de paalworm, een weekdier (Teredo navalis) dat het gemunt heeft op houten zeeweringen en dat derhalve bestreden moet worden (1886). Als ingenieur derde klas treedt hij in dienst bij Rijkswaterstaat, en hier is hij betrokken bij de aanleg van het Merwedekanaal (thans voor het grootste deel Amsterdam-Rijnkanaal geheten, in nieuwere vorm), speciaal bij de omlegging van de Proostwetering. Tijdens zijn detachering in Maarssen loopt hij (de dan nog gangbare inheemse vorm van) malaria op, wat leidt tot zijn overplaatsing naar Brielle, en tot zijn bekering tot natuurgeneeswijze en vegetarisme, waarbij hij veel baat blijkt te hebben.

Als civiel ingenieur (tot 1894 in Brielle, daarna te 's-Gravenhage) speelt hij de rol bij de vormgeving van industrialiserend Nederland die in die tijd bij zijn beroep past. Hij publiceert onder andere over de bereikbaarheid van de haven van Harlingen, de boordbeveiliging van het kanaal door Voorne, verbetering van de beveiliging van de haven van Hellevoetsluis en over het zo efficiënt mogelijk aanleggen van grindwegen in de Hoeksewaard. Ook de bestrijding van de boorpissebed (Limnoria lignorum), die even schadelijk dreigde te worden als de paalworm, heeft zijn aandacht. Hij ontwerpt een naar eigen zeggen veilige buitenduins gelegen vissershaven voor Scheveningen en laat blijken het te betreuren dat zijn ontwerp niet wordt gehonoreerd.

Zijn belangrijkste bijdrage als medewerker bij de algemene dienst van Rijkswaterstaat is een verbetering van het systeem voor het opstellen van getijtafels. Hij ontwikkelde een methode waarbij ook rekening gehouden werd met het effect van wind, de zogeheten opwaaiing. Het werk beviel hem zo goed dat hij wilde afzien van de onvermijdelijke periodieke promotie, maar aan deze wens kon niet voldaan worden. Zijn afkomst en staat van dienst maakten promotie onvermijdelijk. Dit zal een rol gespeeld hebben bij zijn ontslag op eigen verzoek in 1899. De belangrijkste rol was echter weggelegd voor zijn bekering tot het (christen-)anarchisme in navolging van Tolstoy, waarvan hij in 1897 getuigenis aflegde in Het beginsel der liefde, ook Christelijk anarchisme geheten. Het werk voor de staat, en zeker bij Rijkswaterstaat, dat een rol speelde bij de landsverdediging en dus bij oorlogsvoorbereiding, was niet met zijn nieuw verworven overtuiging te verenigen. Hij deed ook afstand van zijn adellijke titel.

In 1888 beveelt de jonge ingenieur nog het Kempische systeem van bevloeiing aan voor het ontginnen en in weiland omzetten van de woeste heidevelden van Noord-Brabant, wat hem overigens op (technische) kritiek komt te staan van J. van Hasselt.Na zijn "bekering" tot het anarchisme (en in zijn geval mogen we de aanhalingstekens eigenlijk weglaten) verandert zijn houding tot wat als ongerepte natuur wordt gezien ingrijpend, en het meest tot de heide waarop hij het eerst nog zo voorzien had. "O hoe heerlijk, hoe heerlijk, op mijn breede bruine zonnige hei!" "Ik ken mijn heide, en mijn heide kent mij. Als ik bedroefd ben ga ik er heen en troost ze mij in moederlijke omhelzing." "Ik wil .. de hei op. Die heb ik al deze dagen niet begroet. Daar is ze eindelijk, ook zoo blij en stralend. Geen wolkje in de lucht, niets dan 't effen heldere blauw over het wijde warme brons. Ja, zelfs de hei, die anders zoo troosteloos-droevig liggen kan in den grijzen dag, of zoo stil en stervens-moe in den laatsten avond-zonneglans - ze is nu zoo vroolijk met al het blijde in de lente."

De ikfiguur is in dit geval nog zijn romanfiguur Felicia, maar het lijkt ook gezien de naam geen overmoedige stap om te besluiten dat Ortt er inmiddels zelf zo over dacht. Ortt heeft zich bij de stap "terug naar de natuur" - de meeste mensen denken nog steeds aan zoiets als Van Eedens Walden of de kolonie te Blaricum bij deze uitdrukking - niet beziggehouden met landbouw op grond die beter aan de heide overgelaten had kunnen worden. In Blaricum is hij drukker en als natuurgeneeswijze-adept min of meer de kolonie-arts. Als hij na de aanval van het gepeupel op de kolonie vertrekt zal hij in de buurt van de heide blijven, het grootste deel van zijn leven te Soest. Hier schrijft hij het lyrische gedicht "Mijn wijde heide", eerst verschenen in De Vrije Mensch, in afleveringen overgenomen in Natuurleven. En bepaald een imiterend eerbetoon aan de dichter van de Witte Waterlelie, Van Eeden: "'k Heb haar lief, mijn wijde heide/ met haar stille morgennevels". Natuurlyriek is ook de bladen van de christen-anarchisten niet vreemd, maar het is en blijft steeds een wat belerende lyriek. Ironischerwijze is het een eeuw later tamelijk algemeen bekend dat heide eigenlijk geen natuurlijk landschap is in Nederland en dat het met kunst- en vliegwerk in stand gehouden moet worden. Dit inzicht komt wel goed uit nu het overgrote deel van de heidevelden in deze eeuw alsnog zo bekwaam tot weiland ontgonnen moest worden - al dan niet naar de aanbevelingen van de jonge Felix Ortt...

Ortt is verder zeker niet zo sentimenteel als Bähler. Hij is wel geëngageerd wat betreft de omgang met en het gedrag jegens dieren, maar kan hier als natuurwetenschapsman op zijn eigen wijze afstandelijk over schrijven.


3. B.P. van der Voo: Wetenschappelijke bijdragen


In maart 1894 verscheen voor het eerst Wetenschappelijke bijdragen - geïllustreerd maandblad, onder redactie van B.P. van der Voo. Een blad op het formaat van de Sterringa-brochures (Sterringa werd in een later stadium ook de uitgever), anachronistisch gezegd: A5. Het blad heeft een moeilijke tijd doorgemaakt, die waarschijnlijk samenhing met de lotgevallen van de redacteur. Deze vluchtte in 1895 naar Mechelen om de weerplicht te ontkomen, en raakte daar in ballingschap in problemen met mede-anarchisten. Het zou interessant zijn na te gaan in hoeverre dit een rol speelt bij de herhaalde klacht over wanbetaling van abonnees en agenten, maar in deze eerste verkenning is dit niet aan de orde. Het blad verscheen slechts bij vlagen maandelijks - en geïllustreerd was het amper. In 1894 kostte een nummer 5 cent per stuk, in 1897 is de prijs verhoogd naar 10 ct., bij verzending 12 ct. per stuk. Dit mag men ook voor die tijd goedkoop noemen.


Dit wat onooglijke tijdschriftje heeft pionierswerk verricht bij het populariseren van de kennis over natuurkunde, scheikunde en biologie (de ondertitel was tenslotte: geïllustreerd maandblad tot verbreiding van eenvoudige begrippen over natuurkennis). Eenvoudig te lezen was het niet; bij artikelen over botanie werd het bezit van een flora voorondersteld. Medewerkers aan de eerste jaargang, die zich uitstrekte tot augustus 1895, waren: W. Meng, B. Damme, J. Sterringa, J.H.E. van Epen, Vital Nascenti (=?; een lang artikel over chroom en verfstoffen, met staalkaart) en Lychnis (waarschijnlijk Van der Voo zelf). Als Van der Voo in ballingschap is worden er meer artikelen in vertaling overgenomen uit buitenlandse bladen. Aan de jaargang van 1897 werd nadrukkelijk meegewerkt door S. Mars, assistent aan het Meteorologisch Instituut te Amsterdam, die zich vooral bezighoudt met het bestrijden van onwetenschappelijke weersvoorspellingen. Met de derde jaargang eindigt het bestaan van Wetenschappellijke Bijdragen. Het verschijnen van De Levende Natuur in hetzelfde jaar zal de ondergang van het noodlijdende blad zeker bevorderd hebben. De Levende Natuur was tenslotte wèl geïllustreerd en misschien ook toegankelijker voor degenen op wie Wetenschappelijke Bijdragen zich richtte, ook al was het duurder.

Het blad voorzover het nu beschikbaar is in openbare collecties is in hoge mate een verzameling Ditjes en Datjes die zonder veel samenhang bijeengesprokkeld zijn. Het feit dat de redacteur al spoedig van Rotterdam naar Mechelen moest verhuizen zal de samenhang en het overleg met schrijvers niet bevorderd hebben. Ondanks dit gebrek aan samenhang blijft het een aardig blad. De observaties van het gedrag van honden, paarden en ratten van B. Damme zijn opmerkelijk, en verder is alleen de duinwandeling van Van Epen gebaseerd op eigen recente ervaring "in de natuur". Van Epen is in hoge mate ge�nspireerd door Van Eeden (de vader van de dichter-schrijver) en diens Onkruid. Hij beschouwt het vermogen planten op naam te stellen bij de lezers als vanzelfsprekend.

Van der Voo doet voortdurend moeite om via Wetenschappelijke Bijdragen interesse te vragen voor zijn botanische verkenningen van de omgeving van Rotterdam - Schieland en het oosten van eiland IJselmonde om precies te zijn. Vergeefs, zijn botanische boek In het polderland - schetsen van het landschap en den plantengroei in de omstreken van Rotterdam zal pas in 1898 bij W. Versluys te Amsterdam verschijnen, als Wetenschappelijke Bijdragen opgehouden heeft te bestaan, evenals tijdelijk het blad An-archie dat Van der Voo vanaf 1896 voor Sterringa redigeerde.

In het polderland is het aardigste boek geschreven door een Nederlandse anarchist, dat ik ooit gelezen heb. Het is duidelijk dat Van der Voo met plezier en enige trots zijn inventarisatie van de flora van de omgeving van Rotterdam het licht heeft doen zien. Van de meeste planten geeft hij geen beschrijving die de onwetende verder brengt: het is ook echt een inventarisatie, waarvan hij de beperking wel inziet, maar die toch zeldzame vondsten weet te vermelden. Als een eenmans-jongeren-natuurstudiebond moet hij door de velden en langs wegen in de groene omgeving van Rotterdam hebben gelopen, de notities zijn gebaseerd op "botanische tochtjes in de jaren 1891-'93 ondernomen". Het zou interessant zijn de gegevens van Van der Voo te koppelen aan wat een inventarisatie nu zou opleveren. Het gebied dat hij beschrijft is intussen in hoge mate verstedelijkt, en de rust die uit de illustraties van J.C. Herm Heyenbrock spreekt is geheel verdwenen. Het noemen van opmerkelijke planten heeft zonder een dergelijke vergelijking, die buiten het bestek van dit artikel valt, geen zin.


In het boek zijn geen planten afgebeeld, alleen kijkjes in een rustig landschap, waarvan Van der Voo de geschiedenis poogt te reconstrueren. In de tijd, verstreken tussen zijn wandelingen en de uitgave van zijn boek, is de Buiten-Hillepolder weggegraven voor een vergrote Rijnhaven, wat tot verlies van de enige dan bekende vindplaats in West-Nederland van het blaaskruid (Utricularia vulgaris) geleid had, tot verdriet van Van der Voo. Hij is gestorven in 1965 en heeft dus, als hij zijn engagement ten aanzien van de natuur behouden heeft, nog heel wat meer te verwerken gekregen.

Want onbekommerd kan men het relaas van zijn wandelingen weer niet noemen - niet doordat hij voorziet wat er met de beschreven gebieden zal gebeuren, maar doordat de Natuur steeds als leermeesteres wordt opgevoerd. In zijn poly- of panthe�stische lofzangen op Moeder Natuur bereikt hij soms bijbelse hoogten. De ereprijs, waarvan de kroonblaadjes zo makkelijk uitvallen, vergelijkt hij met witgepleisterde graven. En: "Slechts het onderzoek der Natuur is in staat redeneerende menschen te bevredigen. Bij onze milde moeder Natuur slechts is plaats voor denkwezens, tot haar keere men steeds weder want bij haar all��n heerscht vrijheid." De studie der natuur werkt veredelend en beschavend en zorgt voor echte vrede.

Van der Voo toont zich nog wel eens geplaagd door het platte, onpo�tische dat hij allerwegen om zich heen bespeurt, en waartegen de ware natuurkennis helpt. Opmerkelijk, een eeuw later, klinkt zijn afschuw van de knotwilg. Hij noemt deze: mismaakt houtgewas (wat tenslotte klopt), ergerlijk, proza�sch, onbehagelijk, plat alledaagsch, wanschapen en gedrochtelijk. Het kon niet op met zijn hekel aan deze toen zo gewone verschijning in zijn polderland - een mensenmaaksel dat nu als natuurmonument-in-het-klein met grote moeite enigszins in stand gehouden wordt. Niets zo veranderlijk als de natuur en de visie hierop van de beschaafde mens - "zoo verandert alles staag door den tijd", zoals hij zelf berustend schreef over de teloorgang van de Buiten-Hillepolder en daarmee van het blaaskruid.


4. J.J. Hof: Natuurleven



De dankzij Ger Harmsen en Jannes Houkes enigszins bekende anarchistische "natuursporter" J.J. Hof werd in zijn eigen tijd wel verward met zijn naamgenoot die zich inzette voor het Fries, Jan Jelles. "Onze" J.J. heet echter Jan Jans en is twee jaar eerder geboren dan die andere, in 1870, in het Friese Lageduurswold weliswaar, maar strijder voor het Fries is hij niet geweest - de verwarring is verklaarbaar door de (in zijn geval extra begrijpelijke) gewoonte geen voornamen te vermelden. Volgens zijn biografen ergerde Hof zich als kweekschoolleerling zich tenslotte aan het stevige roken in zijn kring en stopte hij hiermee na het lezen van "een brochure van een levenshervormer over de vraag waarom wij ons bedwelmen". Deze kennismaking met Tolstoy deed Hof klaarblijkelijk kiezen voor het humanitarisme, dat hij trouw is gebleven. Hij heeft zich nooit met het christen-anarchisme ge�dentificeerd, al heeft hij hier steeds wel dicht bij gestaan.

Als onderwijzer te Giethoorn colporteerde hij samen met Tjerk Luitjes eind 1900 met een brochure "Algemeene werkstaking". Hof heeft zelf een brochure onder deze titel geschreven, die door Harmsen en Joukes gedateerd wordt op 1903. Dit is zijn enige "arbeidersbewegings"-achtige geschrift: "Eenmaal zal de moderne slaaf begrijpen dat hij alleen alles in handen heeft wat hij wil. En als hij dat begrepen heeft, zal geen macht ter wereld hem kunnen buigen. Uit is dan 't rijk van Mammon en Gezag! Gewerkt daarom voor de opheffing van allen loonarbeid! Gewerkt voor de heerlijke idee van: Algemeene werkstaking."

Maar zijn grote historische verdienste is de redactie van het blad Natuurleven, die hij van 1902 tot 1941 gevoerd heeft, een "populair, geïllustreerd weekblad voor natuurwetenschap, tuinbouw en bloementeelt." En het blad was inderdaad geïllustreerd en is wekelijks blijven verschijnen! Het werd regelmatig gevuld met uit andere bladen overgenomen artikelen, maar in het algemeen was Hof zelf de schrijver van het meeste wat in dit blad te lezen is. Een prestatie die slechts met grote bewondering bezien kan worden, en die hem als gedreven popularisator op één lijn plaatst met Thijsse, die ook steeds in de eerste plaats onderwijzer of leraar was.

In zeker opzicht - want met al zijn betoonde inzet voor de natuurstudie dient vastgesteld te worden dat Hof geen meeslepend nu nog toegankelijk schrijver was op de gebieden waarmee hij zich bezig heeft gehouden. In de eerste plaats populariseert hij andere schrijvers, zoals hij ook heel wat boeken heeft vertaald. Mogelijke eigen bijdragen aan de veldbiologie worden door zijn meestal afstandelijke stijl verhuld. Hij weet zijn humanitaire engagement op de achtergrond te houden, tenzij slechte behandeling van dieren daadwerkelijk aan de orde is. Vanaf 1916 tot het einde (officieel: 1920) redigeert hij ook nog Androcles - maandblad aan de belangen der dieren gewijd, en hij bleef medewerker aan de opvolger van dit blad, Dierenbescherming. Is het vanwege het humanitaire engagement dat de door hem zelf geschreven bijdragen aan de natuurstudie hoofdzakelijk gewijd zijn aan botanische onderwerpen, en zeker niet de meest tot de verbeelding sprekende: levermossen, varens, algen en mossen? In Een heel jaar in de natuur (Zutphen: W.J. Thieme & Cie., 1938) komen wel meermalen dieren en bloemplanten aan de orde. Ook verschijnt van zijn hand in 1926 Onderling hulpbetoon in de dierenwereld, een titel die duidelijk genoeg naar Kropotkin verwijst.

Zijn in alle opzichten bescheiden te noemen eigen levensschets in De roep der velden - zwerftochten naar de bronnen van vreugde en schoonheid (uitgegeven en geredigeerd door A.G. Schoonderbeek te Laren, 1927) vermeldt dat hij lezingen en cursussen met lichtbeelden geeft over natuurhistorische onderwpen, en dat hij door gesproken en geschreven woord in humanitaire richting werkt (p.61). Het kan geen toeval zijn dat zijn portretfoto in dit boek zijn boekenkast als duidelijke achtergrond heeft.

De ontwikkeling van de techniek volgt hij in Natuurleven en in losse geschriften als een trouw gelovige in de vooruitgang, die bijvoorbeeld een toename van vrijheid verwacht van het automobilisme, maar dergelijke uitingen uit de tijd van voor de Eerste Wereldoorlog kunnen wij met de mantel der liefde bedekken. De tegenstelling tot de roepende velden was nog niet te voorzien.

De vooruitgangsgedachte was voor Hof uit de natuur zelf te lezen: "De kleinste en laagst ontwikkelde, zoo goed als de hoogst georganiseerde levende wezens, de mensch zelf niet uitgezonderd, hebben een gemeenschappelijke levensbron. In de mate van ontwikkeling heerscht oneindige verscheidenheid, in het wezen der zaak echter een onmiskenbare eenheid. Dit trekt ons niet naar beneden; het houdt geen verlaging in van de hooge plaats die de 'heer der Schepping' inneemt in de groote natuur. Integendeel, het opent een verheffend uitzicht op nooit eindigenden vooruitgang, op een steeds verder gaande ontwikkeling van alle levenskrachten."

Geheel vrij van natuurlyriek of -mystiek was Hof toch ook niet. Eigenlijk mag men dit ook niet verwachten van iemand die in zijn jeugd voorgoed gegrepen was door de overweldigende stilte en het landschap van het Fochteloër veen. Het spreekt uit het stuk "Wondervol mysterie", aan het begin van de tweede jaargang van Natuurleven: "Steeds meer .. wenkt [den ware natuuronderzoeker] het Geheim der dingen met onweerstaanbare toovermacht, aan wier werking hij zich niet vermag te onttrekken. Het groote Mysterie van het Zijn, dat wij voelen in elk ding dat naast ons staat, hoe straalt het ons tegen met vurig licht, zonder dat wij nog de lichtbron zelve vermogen te aanschouwen. (...) Het Mysterie is de verheven zin van het Leven. Wij Zelf zijn de zin van het leven. (...) De boomen spreken van het Mysterie als ze zachtkens ruisen. De zee heeft altijd haar groote hart er vol van en de golven roepen, roepen gestadig."

Met Hof, die tot het einde van zijn leven toegewijd blijft aan de natuurstudie, zijn we overigens de grens van het ontwakend natuurbesef en van een belangrijke rol in het maatschappelijk leven in het algemeen van anarchisten in Nederland, ruim gepasseerd. Hof is overleden in 1953.

(Oorspronkelijke versie met verwijzingen in: Jaarboek Anarchisme 1997)

No comments:

Post a Comment